Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT3551

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2005
Datum publicatie
12-04-2005
Zaaknummer
03/4859 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene is met toepassing van artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder a, van het Ambtenarenreglement Amsterdam ontslag verleend wegens opheffing van zijn betrekking. Kan dit ontslag standhouden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2005/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/4859 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij (aanvullend) beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 augustus 2003, nr. AWB 02/2337 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft geen verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 februari 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door L.J. Kuyl. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. Groot Antink, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Voorts zijn op verzoek van appellant als getuigen gehoord [getuige 1] en [getuige 2].

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was vanaf 1987 als administratief medewerker (medewerker gebouwenregistratie) werkzaam bij het bureau Administratief Vastgoed Informatiecentrum en Gemeentekadaster Amsterdam (Aviga) van de gemeente Amsterdam.

In het kader van het voornemen de taken en verantwoordelijkheden van het bureau Aviga te verplaatsen naar de stadsdelen van de gemeente Amsterdam is dit bureau op 1 februari 1995 tijdelijk ondergebracht bij de toenmalige dienst Gemeentebelastingen Amsterdam (GBA). Dit bracht mee dat appellant per deze datum werkzaam was bij de dienst GBA.

De overdracht van de werkzaamheden van het bureau Aviga naar de stadsdelen is volgens gedaagde formeel per 1 maart 2000, aanzienlijk later dan in de bedoeling lag, tot stand gebracht.

1.2. Bij besluit van 31 mei 2001 heeft gedaagde appellant met toepassing van artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder a, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA) met ingang van 1 juni 2001 ontslag verleend wegens opheffing van zijn betrekking. Daarbij is overwogen dat de betrekking van appellant als gevolg van het opheffen van het bureau Aviga is komen te vervallen en dat bemiddelingsactiviteiten in het kader van de appellant verleende zogeheten RAP-status niet binnen de daarvoor geldende maximale termijn van twee jaar hebben geleid tot herplaatsing in een andere passende functie.

Bij het bestreden besluit van 16 april 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 mei 2001 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft onder andere naar voren gebracht dat de formele overheveling van de werkzaamheden van het bureau Aviga per 1 maart 2000 naar de stadsdelen bij lange na niet heeft geleid tot een daadwerkelijke volledige decentralisatie van deze werkzaamheden. Eind 2000 werd een groot deel van de werkzaamheden nog steeds niet door de stadsdelen gedaan, reden waarom toen een Taskforce is ingesteld om de stadsdelen te begeleiden en problemen op te lossen. Omstreeks april 2001 werd echter geconcludeerd dat de decentralisatie feitelijk was mislukt omdat een groot deel van het werk nog altijd op centraal niveau moest worden gedaan. Gedaagde nam vervolgens op 11 mei 2001 het besluit om weer een (centraal) vastgoedcentrum op te richten voor bedoeld deel van de werkzaamheden. Aanvankelijk werden bij dit centrum ongeveer 50% van de vastgoedmutaties in de gemeente geregistreerd; inmiddels is dit opgelopen tot 100%. Uit een en ander leidt appellant af dat het belangrijkste deel van de werkzaamheden die aan zijn functie op centraal niveau waren verbonden niet zijn vervallen, zodat hij ten onrechte is ontslagen.

4.1. Uit de stukken blijkt dat de functie van appellant nimmer formeel is opgeheven. In de jurisprudentie van de Raad (CRvB 16 augustus 1993, LJN AK5551, TAR 1993, 101) is aanvaard dat het feitelijk verdwijnen van het samenstel van werkzaamheden van een functie onder omstandigheden gelijkgesteld kan worden met een formele opheffing van een functie.

4.2. Van de zijde van gedaagde is hetgeen appellant onder 3. naar voren heeft gebracht niet ontkend. Toegegeven is dat de decentralisatie is mislukt en dat inderdaad in mei 2001 is besloten de vastgoedregistratie weer gedeeltelijk te centraliseren, waarmee de oude situatie is hersteld. Erkend is dat de tot de functie van appellant behorende werkzaamhe-den ten tijde van de ontslagverlening voor een groot deel nog (of weer) op centraal niveau werden uitgevoerd.

4.3. De Raad trekt hieruit de conclusie dat niet kan worden staande gehouden dat het sa-menstel van werkzaamheden behorende bij appellants functie ten tijde van de ontslag-verlening feitelijk was verdwenen. Gedaagde was dan ook niet bevoegd appellant ontslag te verlenen op de gebezigde grond. Hij heeft dan ook ten onrechte besloten dat besluit te handhaven bij het bestreden besluit.

5. De aangevallen uitspraak kan niet in stand blijven. Het beroep moet alsnog gegrond worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Aangezien het gebrek dat aan het bestreden besluit kleeft eveneens kleeft aan het primaire ontslagbesluit en dit gebrek bij een nieuw besluit op bezwaar niet hersteld kan worden, zal de Raad ook dat besluit vernietigen.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,-. Van proceskosten in hoger beroep is niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit alsmede het besluit van 31 mei 2001;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in het totaal € 284,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.