Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT3540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2005
Datum publicatie
11-04-2005
Zaaknummer
04/716 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herplaatsing na reorganisatie. Plaatsing van gedaagde in de functie van financieel medewerker district; passende functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2006/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/716 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2003, nr. AWB 03/1404 AW R GVZ T2, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 10 februari 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K.I. Siem, werkzaam bij de Servicedienst van de gemeente Rotterdam, mr. S.W. Geelkerken, advocaat te Rotterdam, en drs. B. Radstake, werkzaam bij het [stichting]. Gedaagde is in persoon ter zitting verschenen.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Gedaagde is op 1 mei 1973 in dienst getreden bij de gemeente Rotterdam, waar hij laatstelijk tot 1990 de functie vervulde van eerste medewerker financiële en algemene zaken bij het [werkgeefster] ([werkgeefster]). In het kader van een reorganisatie van het [werkgeefster] in 1990 is hem de zogeheten C-status verleend. Bij besluit van 18 februari 1994 is hij wegens opheffing van zijn betrekking ontslagen. Dit besluit is door de Raad bij uitspraak van 27 november 1997 vernietigd, omdat niet voldoende inspanningen waren verricht om gedaagde te herplaatsen.

1.2. Inmiddels was het [werkgeefster] in 1995 geprivatiseerd. In principe zijn daarbij alle werkzaamheden en personeelsleden overgegaan naar de stichting [stichting] ([stichting]). Het [werkgeefster] wordt sindsdien aangemerkt als een lege tak van dienst van de gemeente Rotterdam.

1.3. Naar aanleiding van 's Raads uitspraak heeft appellant gedaagde in december 1998 de functie doen aanbieden van financieel medewerker district bij het [stichting], welk aanbod gedaagde niet heeft aanvaard. In verband met de uitdrukkelijke wens van gedaagde om ambtenaar te blijven - en niet over te gaan op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht - heeft appellant gedaagde bij brief van 31 maart 1999 doen bevestigen dat hij als ambtenaar wordt beschouwd, dat hij aanspraak heeft op ambtelijke bezoldiging en dat voorheen ontvangen uitkeringen zullen worden verrekend. Tevens is gedaagde opgedragen contact op te nemen met het Loopbaan Advies Centrum van de gemeente (LAC). Omdat gedaagde, gezien zijn ervaringen in het verleden, geen vertrouwen meer had in interne loopbaanbemiddeling, is door tussenkomst van het LAC een begeleidingstraject uitgezet bij het externe bureau GelderRijn B.V. Bij brief van 14 juli 2000 heeft het [stichting] gedaagde toegezegd dat, indien hij een functie elders aanvaardt, een eventuele achteruitgang in salaris gedurende 3 jaar volledig zal worden gecompenseerd en hem bovendien een terugkeergarantie gegeven voor de duur van een jaar. Het traject bij GelderRijn heeft geen nieuwe functie opgeleverd, bij de gemeente Rotterdam noch daarbuiten, en voortzetting van het traject is afgestuit op de eis van gedaagde dat hem spijkerharde garanties worden gegeven dat zijn rechtspositie als ambtenaar onaangetast blijft. In januari 2001 heeft het LAC de begeleiding afgesloten. Daarbij is - kort gezegd - aangegeven dat er een kloof bestaat tussen wat gedaagde wil en de eisen die de arbeidsmarkt inmiddels stelt, hetgeen bij een zestal concrete sollicitaties ook daadwerkelijk is gebleken.

1.4. Bij besluit van 13 maart 2001 heeft appellant gedaagde wederom ontslag verleend wegens opheffing van zijn betrekking. Bij besluit van 15 januari 2002 heeft appellant, na bezwaar, dit ontslagbesluit herroepen en gedaagde wegens reorganisatie (bedoeld is: de reorganisatie uit 1990) overgeplaatst naar de functie van financieel medewerker district [stichting]. Daaraan lag de overweging ten grondslag dat het gaat om een passende functie, welke aan gedaagde is aangeboden, maar dat van een weigering om de functie te aanvaarden niet kon worden gesproken zolang de functie niet aan gedaagde was opgedragen.

1.5. Gedaagde is de opgedragen functie onder protest gaan uitoefenen. Daarnaast heeft hij tegen het besluit van 15 januari 2002 bezwaar gemaakt en beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank, van oordeel dat het besluit tot overplaatsing een nieuw primair besluit was, heeft zich bij uitspraak van 29 oktober 2002 onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen en het beroepschrift aan appellant doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift. Bij het thans bestreden besluit van 11 maart 2003, verzonden op 2 april 2003, heeft appellant de bezwaren tegen de overplaatsing ongegrond verklaard.

1.6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van gedaagde gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht.

2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. In geschil is uitsluitend de plaatsing van gedaagde in de functie van financieel medewerker district bij het [stichting]. Hetgeen partijen verder verdeeld houdt, waaronder de financiële afwikkeling van de ten onrechte verleende ontslagen, is thans niet aan de orde.

2.2. De Raad is van oordeel dat de opgedragen functie wat betreft aard en inhoud van de werkzaamheden voor gedaagde als passend kan worden aangemerkt. De functie sluit het meest aan bij de werkzaamheden die gedaagde laatstelijk heeft verricht bij het [werkgeefster]. Dat die werkzaamheden als gevolg van het tijdsverloop wellicht wat minder in aanzien zijn komen te staan dan voorheen, doet daaraan niet af. Appellant kon zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat gedaagde niet in aanmerking kwam voor een zwaardere functie bij het [stichting], reeds omdat hij sedert 1990 niet meer had gewerkt en dus recente werkervaring miste. Met recht heeft appellant in dit verband gewezen op de onstuimige ontwikkeling die het vakgebied van de financiële administratie sedert 1990 heeft doorgemaakt.

2.2.1. Ter zitting heeft gedaagde gesteld dat hij inmiddels heeft bewezen dat hij aan een zwaardere functie toe is. Dienaangaande merkt de Raad op dat het hier niet gaat om de situatie thans, maar om de situatie ten tijde van het bestreden besluit.

2.3. Aan de opgedragen functie is, in het kader van de privatisering, een salaris verbonden overeenkomstig schaal 6 van de CAO Woondiensten. Gebleken is dat dit salarisniveau lager ligt dan het niveau van de gemeentelijke schaal 8, die gold voor de oude functie van gedaagde. De Raad acht het verschil echter niet dusdanig dat de opgedragen functie om die reden niet passend zou zijn. Overigens is aan gedaagde het behoud van het oude salarisniveau gegarandeerd en heeft hij dit niveau ook werkelijk behouden.

2.4. Gedaagde heeft vooral bezwaar tegen het feit dat hij is geplaatst bij het [stichting], de privaatrechtelijke voortzetting van het [werkgeefster] dat hem in het verleden onjuist heeft behandeld. De Raad ziet echter niet in dat die omstandigheid de opgedragen functie minder passend maakt. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellant ermee heeft ingestemd dat gedaagde de ambtelijke status behoudt. Hiertoe is voor gedaagde de - zeer uitzonderlijke - positie in het leven geroepen dat hij als ambtenaar ressorteert onder de lege tak van dienst van het [werkgeefster] en van daaruit feitelijk te werk is gesteld bij het [stichting]. Bovendien is gedaagde geplaatst in een ander district dan waar hij vroeger werkzaam was. Ter zitting is naar voren gekomen dat slechts twee van de 40 à 50 personen die in zijn huidige district werken hem nog uit het verleden kennen. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat het verleden gedaagde op de nieuwe werkplek nog steeds wordt nagedragen.

2.5. Het vorenstaande in aanmerking genomen, kan gedaagde niet staande houden dat appellant zich méér had moeten inspannen om een andere functie voor hem te vinden dan blijkens het onder 1.3. overwogene is gebeurd. Gedaagde is extern begeleid teneinde zijn weerbaarheid op de arbeidsmarkt te vergroten, er is voor hem gezocht naar functies zowel binnen als buiten de gemeente Rotterdam en er zijn hem garanties met betrekking tot zijn rechtspositie gegeven die de Raad - anders dan gedaagde zelf - geenszins als onvoldoende kan aanmerken. Dat dit niet tot een andere functie heeft geleid, wil niet zeggen dat appellant onvoldoende moeite heeft gedaan. Aannemelijk is geworden dat gedaagde, mede gelet op zijn leeftijd, zijn persoonlijkheid en de omstandigheid dat hij zo'n 12 jaar buiten het arbeidsproces heeft gestaan, op de arbeidsmarkt geen gunstige positie inneemt. Hij is dan ook voor de voortzetting van zijn loopbaan en zijn streven weer een functie op zijn vroegere niveau te verkrijgen in belangrijke mate op zijn huidige werkgever aangewezen. De Raad merkt hierbij nog op dat het vooral daarom in het belang van gedaagde is om te investeren in goede verhoudingen met zijn huidige collega’s en leidinggevenden.

2.6. Anders dan de rechtbank, komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte stand houdt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep van gedaagde moet alsnog ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van gedaagde ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.