Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT3198

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2005
Datum publicatie
07-04-2005
Zaaknummer
03/1548 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling. Bekendmaking. Verschoonbaarheid termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/1548 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Zaanstreek-Waterland, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 17 januari 2003, nr. Awb 02 - 417 AW H V17 G127 K1, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn desgevraagd nog nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 3 februari 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. W. de Klein, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond FNV te Amsterdam. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. J.H. Tamsma, werkzaam bij de politieregio Zaanstreek-Waterland.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als surveillant bij de politieregio Zaanstreek-Waterland.

Op 2 september 2000 is ten aanzien van appellant een beoordeling opgemaakt. Deze is met hem besproken op 13 november 2000. Appellant heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn aanvullende opmerkingen op het beoordelingsformulier weer te geven en heeft het formulier voor kennisneming ondertekend.

Op 7 december 2000 is na een gesprek tussen appellant, diens unithoofd P. Hopman en het hoofd politiële bedrijfsvoering J. Siemers, de beoordeling door laatstgenoemde vastgesteld.

1.2. Bij brief van 20 december 2000 zijn de in het gesprek van 7 december 2000 gemaakte afspraken, onder meer met betrekking tot overplaatsing, bevestigd.

De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 24 januari 2001 op die brief gereageerd en bezwaar gemaakt tegen de daarin neergelegde overplaatsing naar een andere unit. Tevens heeft hij daarbij verzocht om toezending van een exemplaar van de beoordeling, ter nadere bestudering.

1.3. Bij brief van 13 februari 2001 heeft de secretaris van de bezwarenadviescommissie de beoordeling toegezonden aan een collega van de gemachtigde van appellant.

Op 16 maart 2001 heeft een hoorzitting plaatsgevonden inzake het bezwaar tegen de overplaatsing. In het verslag van die hoorzitting staat onder meer vermeld dat appellant bij brief van 13 februari 2001 een afschrift van de beoordeling heeft ontvangen.

1.4. Bij besluit van 1 mei 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen de overplaatsing ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem (procedurenr. 01/809 AW). Dit beroep is, naar aanleiding van een nieuw besluit van gedaagde, ingetrokken bij brief van 14 juni 2002.

1.5. Op 13 juli 2001 heeft de gemachtigde van appellant aan gedaagde verzocht de beoordeling, zoals vastgesteld op 7 december 2000, alsnog op de voorgeschreven wijze aan appellant bekend te maken, zodat hiertegen op reguliere wijze bezwaar kan worden gemaakt. Na aanvankelijke weigering heeft gedaagde aan dit verzoek voldaan door middel van een akte van uitreiking van 6 december 2001.

1.6. Op 4 januari 2002 is namens appellant bezwaar gemaakt tegen de beoordeling. Bij besluit van 30 januari 2002 heeft gedaagde op dit bezwaar beslist, en daarbij onder meer aangegeven dat als beoordelingstijdvak de periode van 1 december 1999 tot 2 september 2000 geldt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank Haarlem het beroep van appellant tegen het besluit van 30 januari 2002 gegrond verklaard en - zelf in de zaak voorziend - appellant alsnog wegens termijnoverschrijding in diens bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten. In dit verband is onder meer overwogen dat nu de beoordeling bij brief van 13 februari 2001 afzonderlijk, dus los van de stukken die in het kader van de bezwaarschriftprocedure tegen het overplaatsingsbesluit zijn toegezonden, aan de gemachtigde van appellant is gestuurd, de beoordeling hiermee op zodanige wijze is bekendgemaakt dat deze voldoet aan de wettelijke vereisten. Het standpunt van appellant dat de beoordeling pas op 6 december 2001 op de voorgeschreven wijze aan hem is bekendgemaakt, kan geen stand houden. Derhalve is het bezwaarschrift van 4 januari 2002 tegen de beoordeling van 7 december 2000 ruim buiten de wettelijke bezwaartermijn ingediend, aldus de rechtbank.

3. Appellant heeft in hoger beroep doen aanvoeren dat, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, niet vaststaat dat de beoordeling bij brief van 13 februari 2001 door gedaagde is verzonden en door of namens appellant is ontvangen. De rechtbank had, waar de verzending van de brief ter zitting bij de rechtbank namens appellant is betwist, ambtshalve dienen na te gaan op welke wijze deze brief door gedaagde is verzonden. Appellant stelt vervolgens dat, nu de verzending heeft plaatsgehad in het kader van de bezwarenprocedure betreffende overplaatsing, en gedaagde het document niet heeft ondertekend voor kennisneming van de inhoud en voor ontvangst ervan, de bekendmaking is geschied op een wijze die in strijd is met artikel 71, vijfde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Voorts stelt appellant dat door de rechtbank ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid van verschoonbare termijnoverschrijding.

3.1. Ter zitting is nog aangevoerd dat in het bezwaarschrift van 24 januari 2001 niet in exclusieve zin valt te lezen dat het gericht is tegen uitsluitend de overplaatsing. Het besluit van 20 december 2000, waartegen dat bezwaarschrift gericht is, zou mede gestrekt hebben tot mededeling van de uitkomst van de beoordeling. Tenslotte is nog gesteld dat het bezwaarschrift van 24 januari 2001 moet worden beschouwd als een voortijdig ingediend bezwaarschrift tegen het beoordelingsbesluit dat toen reeds bestond, maar nog niet bekend was gemaakt. Appellant concludeert op grond van al het vorenstaande dat hoe dan ook tijdig bezwaar is gemaakt tegen de beoordeling.

4. De Raad kan appellant hierin niet volgen.

Allereerst acht de Raad, met de rechtbank, niet aannemelijk dat (de gemachtigde van) appellant de brief van 13 februari 2001 waarbij de beoordeling is toegezonden, niet op of omstreeks dat tijdstip heeft ontvangen. In het verslag van de hoorzitting over het bezwaarschrift tegen de overplaatsing wordt immers vermeld dat de gemachtigde bij brief van 13 februari 2001 een afschrift van de beoordeling heeft ontvangen. Dat die bekendmaking heeft plaatsgehad in het kader van een bezwaarprocedure tegen een ander besluit doet aan de rechtskracht van die bekendmaking niet af, ook omdat appellant er zelf voor gekozen heeft het verzoek om toezending van de beoordeling op te nemen in zijn bezwaarschrift tegen dat andere besluit.

4.1. Ook het feit dat toen, in afwijking van het bepaalde in artikel 71, vijfde lid, van het Barp, geen uitreiking heeft plaatsgevonden met tekening voor ontvangst, doet aan de rechtskracht van de bekendmaking niet af. Bedoeld voorschrift beoogt immers vooral te verzekeren dat de bekendmaking kan worden bewezen voor het geval niet op andere wijze is vast te stellen dat het besluit ter kennis van de betrokkene is gebracht. Een dergelijk geval is hier niet aan de orde.

4.2. Wat betreft de stelling van appellant dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid van verschoonbare termijnoverschrijding, oordeelt de Raad dat appellant niets heeft aangevoerd dat ter verschoning zou kunnen dienen. De rechtbank is derhalve terecht aan deze mogelijkheid voorbijgegaan.

4.3. Anders dan appellant vermag de Raad in het bezwaarschrift van 24 januari 2001 niet te lezen dat dit zich mede richt tegen de beoordeling. Het besluit van 20 december 2000, waartegen dat bezwaarschrift is gericht, verwijst wel naar de beoordeling, maar is slechts gericht op een bevestiging van de afspraken die naar aanleiding van het beoordelingsgesprek van 7 december 2000 zijn gemaakt. Bovendien geeft appellant in zijn bezwaarschrift juist aan de beoordeling nader te willen bestuderen, terwijl hij eerder had verklaard in de ruimte voor aanvullende opmerkingen bij de beoordeling: “Ik weet dat ik in beroep kan gaan tegen mijn beoordeling. Ik wil dit niet.”

4.4. De stelling van appellant dat het bezwaarschrift moet worden beschouwd als een voortijdig ingediend bezwaarschrift tegen het beoordelingsbesluit dat op dat moment reeds bestond, maar alleen nog niet bekend was gemaakt, houdt gelet op het vorenstaande evenmin stand.

5. De Raad komt derhalve tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) E.W.F.Menkveld-Botenga.

HD

28.02