Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT3111

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2005
Datum publicatie
04-04-2005
Zaaknummer
03/1806 WSF + 04/5924 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetting prestatiebeurs. Weiziging beleid. Terugkomen van (herzienings)besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/1806 WSF + 04/5924 WSF

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 17 mei 2002 (Bericht 2002, no. 2) heeft gedaagde aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 1 maart 2002 alleen recht heeft op een lening, omdat aan haar het maximaal aantal maanden basisbeurs en/of aanvullende beurs is toegekend.

Bij besluit van 15 juli 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 mei 2002 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 februari 2003, nr. AWB 02/891 WSFBSF, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch het beroep van appellante tegen het besluit van 15 juli 2002 ongegrond verklaard.

Tegen die uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld op bij beroepschrift van 7 april 2003 (met bijlagen) aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage) ingediend, gedateerd 4 juni 2003.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 februari 2005, waar appellante in persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 13 oktober 2001 (Bericht 2002, no. 1) heeft gedaagde aan appellante studiefinanciering verleend over de maanden januari tot en met augustus 2002 in de vorm van het basisbedrag prestatiebeurs en vanaf 1 september 2002 in de vorm van een lening.

Bij besluit van 17 mei 2002 (Bericht 2002, no. 2) heeft gedaagde niet alleen gevolg gegeven aan appellantes telefonische mededeling dat zij per 1 september 2002 geen lening wenst te ontvangen, maar heeft gedaagde tevens voormeld besluit van 13 oktober 2001 herzien in dier voege dat over de maanden maart tot en met augustus 2002 alsnog studiefinanciering in de vorm van een lening is verleend in plaats van in de vorm van prestatiebeurs. Daarbij heeft gedaagde in aanmerking genomen dat de door appellante laatst gevolgde opleiding aan de TMO, hogeschool voor modemanagement te Doorn, een cursusduur van 30 maanden (105 studiepunten) heeft, in verband waarmee appellante recht heeft op 30 maanden prestatiebeurs, hetgeen - gegeven het feit dat zij met ingang van 1 september 1998 studiefinanciering voor het hoger onderwijs ontvangt en gelet op het feit dat haar om medische redenen een verlenging met twaalf maanden is toegekend - meebrengt dat de periode waarover zij recht heeft op prestatiebeurs op 1 maart 2002 is verstreken en zij met ingang van deze datum alleen nog recht heeft op een lening.

Appellante is het hier niet mee eens. Zij heeft zowel in bezwaar als in beroep als in hoger beroep aangevoerd dat haar opleiding aan de TMO een cursusduur van drie jaar heeft, zodat zij ook over de maanden maart tot en met augustus 2002 recht op prestatiebeurs heeft, gelijk haar bij het eerdere besluit van 13 oktober 2001 was toegekend.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat aan enkele met name genoemde studiegenoten wel meer dan 30 maanden prestatiebeurs is toegekend.

De Raad overweegt het volgende.

Na het bestreden besluit hebben zich ontwikkelingen voorgedaan die van invloed zijn op de rechtsstrijd tussen partijen, maar die helaas niet aan de rechtbank ter kennis zijn gebracht.

De Raad verwijst in dit verband allereerst naar de volgende passages uit het verweerschrift:

"Sedert augustus 2002 heeft de IB-Groep haar wijze van toekenning gewijzigd. Vanaf dat moment krijgt iedere studerende voor een opleiding in het hoger onderwijs in beginsel vier jaar prestatiebeurs, tenzij er sprake is van een opleiding met een langere cursusduur. Dit sluit beter aan bij de wettelijke systematiek. Ingevolge artikel 5.6 Wsf 2000 geldt als hoofdregel dat vier jaar prestatiebeurs wordt toegekend en dat deze periode wordt verlengd ingeval van een langere opleiding. Daarnaast is in artikel 5.8 Wsf 2000 bepaald dat minder prestatiebeurs wordt omgezet na het behalen van het diploma van een kortere opleiding.

Dit betekent dat ook voor korte opleidingen, dat wil zeggen met een cursusduur van minder dan 168 studiepunten, vier jaar prestatiebeurs wordt toegekend. Pas na het behalen van het behaalde diploma wordt bezien hoeveel maanden prestatiebeurs kan worden omgezet aan de hand van de studielast van de opleiding. Dit betekent dat aan de door appellante genoemde personen vier jaar prestatiebeurs is toegekend, maar dat daarvan na het behalen van het diploma nog maximaal 2,5 jaar wordt omgezet in gift.

Ook aan appellante is thans om bovengenoemde reden vier jaar prestatiebeurs toegekend. Daarnaast heeft zij recht op een verlenging van 12 maanden o.g.v. medische gronden, zodat aan haar tot 1 september 2003 prestatiebeurs is toegekend. Het bericht van 30 augustus 2002 over het jaar 2002 is echter abusievelijk niet verzonden. Bijgaand treft u een schermprint aan over 2002. Het bericht over 2003 is wel aangemaakt en verzonden en treft u bijgaand aan.

Dit neemt echter niet weg dat nog slechts 18 maanden prestatiebeurs kan worden omgezet na het behalen van het diploma. De eerste twaalf maanden zijn reeds omgezet in gift. Hetzelfde geldt voor de door appellante genoemde andere studerenden. Daarnaast heeft appellante recht op omzetting van de extra twaalf maanden prestatiebeurs, die zij heeft gekregen vanwege medische omstandigheden.

(…)

Omzetting van prestatiebeurs aan de hand van het behaalde diploma is op dit moment nog niet aan de orde, omdat zij de opleiding nog niet heeft afgerond.

Zodra zij het diploma heeft behaald en aan de hand daarvan de omzetting heeft plaatsgevonden kan zij desgewenst bezwaar maken tegen het aantal om te zetten maanden."

Naar aanleiding van hetgeen ter zitting nog naar voren is gekomen voegt de Raad hieraan toe dat de toekenning van studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs over de maanden september tot en met december 2002, vermeld op de schermprint van 30 (lees: 23) augustus 2002, en over de maanden januari tot en met augustus 2003, vermeld in Bericht 2003, nr. 1, van 18 oktober 2002, op verzoek van appellante ongedaan is gemaakt, aangezien zij slechts tot en met de maand augustus 2002 (in gift om te zetten) prestatiebeurs wenste te ontvangen.

Dit brengt mee dat de Raad, anders dan bij schrijven van 3 november 2004 aan partijen aangekondigd, geen oordeel behoeft te geven over het besluit van 18 oktober 2002 en dat de zaak met nummer 04/5924 WSF als ten onrechte ingeschreven moet worden afgeboekt.

Aan appellantes wens om ook over de maanden maart tot en met augustus 2002 prestatiebeurs te ontvangen is in zoverre tegemoetgekomen dat gedaagde haar over die maanden alsnog prestatiebeurs heeft verleend, maar dat gedaagde het beantwoorden van de vraag in hoeverre de verleende prestatiebeurs kan worden omgezet in een gift heeft doorgeschoven naar het moment van inlevering van het behaalde diploma.

Nu gedaagde in feite is teruggekomen van het (herzienings)besluit van 17 mei 2002 en zij het bestreden besluit bijgevolg niet langer handhaaft, maar daarover geen (schriftelijk) besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft afgegeven, acht de Raad het aangewezen om dit formele gebrek te repareren door met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, en wel door het bestreden besluit te vernietigen, het besluit van 17 mei 2002 te herroepen en te bepalen dat appellante ook over de maanden maart tot en met augustus 2002 recht heeft op studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs. Daartoe dient tevens de aangevallen uitspraak te worden vernietigd en het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond te worden verklaard.

Het werkelijke geschilpunt kan thans helaas niet definitief worden beslist. Appellante zal eerst haar diploma moeten inleveren en het door gedaagde te nemen omzettingsbesluit moeten afwachten. Pas dan kan zij desgewenst bezwaar maken.

Appellante heeft geen verzoek om vergoeding van proceskosten ingediend, zodat toepassing van artikel 8:75 van de Awb niet aan de orde komt.

Het door appellante in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht moet door de Informatie Beheer Groep aan haar worden vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep alsnog gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Herroept het besluit van 17 mei 2002;

Bepaalt dat appellante over de maanden maart tot en met augustus 2002 recht heeft op studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs;

Bepaalt dat de Informatie Beheer Groep het door appellante betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 116,- aan haar dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 april 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.