Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT3081

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2005
Datum publicatie
04-04-2005
Zaaknummer
03/3454 CSV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boetenota's al met 10% gematigd in verband met de lange duur van de bezwaarschriftenprocedure. Onkostenvergoedingen aangemerkt als loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/3454 CSV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij beroepschrift van 15 juni 2003 heeft mr. H. Aukema, werkzaam bij Hut & Co belastingadviseurs te Groningen, als gemachtigde van appellante op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Assen op 4 juni 2003, nummer 00/634, tussen partijen gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 januari 2005, waar appellante niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. P. Vries, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 12 juli 2000 heeft gedaagde de aan appellante opgelegde correctienota’s over de jaren 1994 en 1995 gehandhaafd. De aan appellante over deze jaren opgelegde boetenota’s heeft gedaagde met 10% gematigd in verband met de lange duur van de bezwaarschriftenprocedure. De rechtbank heeft bij de in rubriek I vermelde uitspraak het beroep van appellante tegen voormeld besluit van 12 juli 2000 ongegrond verklaard.

Appellante heeft haar hoger beroep beperkt tot het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de als bovenmatig aangemerkte onkostenvergoedingen en de boetenota’s.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde de verstrekte onkosten-vergoedingen terecht als loon heeft aangemerkt, reeds omdat een deugdelijke onderbouwing van de door appellante als onkosten geboekte vergoedingen volstrekt ontbreekt. Daarbij merkt de Raad nog op dat appellante bij herhaling in de gelegenheid is gesteld de onkosten te onderbouwen. Ook in hoger beroep is appellante blijven steken in - niet met verifieerbare stukken gestaafde - stellingen aangaande de aannemelijkheid van gemaakte onkosten, hetgeen naar vaste jurisprudentie van deze Raad, onder meer neergelegd in zijn uitspraak van 18 november 2004, USZ 2005/26, onvoldoende is.

Met betrekking tot de opgelegde boetes overweegt de Raad het volgende. Sedert de aankondiging van de boete op 22 november 1999 zijn inmiddels bijna vijf jaar en vier maanden verstreken. Gedaagde heeft er in dit verband terecht op gewezen dat vertraging in de afhandeling van de procedure in eerste aanleg deels aan appellante te wijten is. Gelet op het voorgaande ziet de Raad, mede gezien het feit dat gedaagde de boetes in bezwaar reeds heeft gematigd, geen aanleiding tot een verdergaande matiging van de opgelegde boetes vanwege de afhandelingsduur van de onderhavige procedure.

De aangevallen uitspraak komt op grond van het voorgaande, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2005.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M. Renden.