Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT3020

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2005
Datum publicatie
01-04-2005
Zaaknummer
05-634 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening. Geen sprake van zwaarwegend (spoedeisend) belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/634 AW-VV

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel Oud Zuid van de gemeente Amsterdam, verzoeker,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. INLEIDING

Namens verzoeker is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2004, nrs. AWB 04/1632 AW en AWB 04/2343 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Voorts heeft verzoeker verzocht om met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen ertoe strekkende dat de werking van de aangevallen uitspraak wordt geschorst.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 10 maart 2005, waar verzoeker zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. P.A. de Jong, advocaat te Amsterdam en A.M. van Moorsel, werkzaam bij het stadsdeel Oud Zuid. Gedaagde is in persoon verschenen bijgestaan door mr. M.H.J. van der Tol, advocaat te Amsterdam.

Ter zitting is het onderzoek geschorst.

Het verzoek is verder behandeld ter zitting van 17 maart 2005, waar verzoeker zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. P.A. de Jong en A.M. van Moorsel voornoemd. Gedaagde is ter zitting verschenen, wederom bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.H.J. van der Tol.

II. MOTIVERING

1.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Gedaagde is sedert 1982 in dienst van de stadsreiniging van verzoekers gemeente, aanvankelijk als [functie] in het stadsdeel De Pijp. In oktober 1995 is hij wegens psychische klachten en epilepsie uitgevallen. In 2002 is een aanvang gemaakt met zijn reïntegratie. In dat kader is hij per 6 mei 2002 geplaatst in de tijdelijke functie van medewerker Straatreiniging (Veegdienst) in het stadsdeel Oud Zuid.

Herhaaldelijk te laat komen door gedaagde, het wegblijven van het werk zonder steekhoudende redenen en het zich niet houden aan de regels met betrekking tot ziekmelding, waren voor verzoeker aanleiding de plaatsing eind september 2002 te beëindigen. Bij brief van 30 september 2002 is gedaagde meegedeeld dat hij voor een periode van drie maanden geplaatst zal worden op een andere afdeling en dat hij in die periode in de gelegenheid wordt gesteld aan te tonen dat hij in staat is gemaakte werkafspraken na te komen. Met ingang van 7 oktober 2002 is gedaagde bij wijze van proef geplaatst bij de afdeling Uitvoering. Nadat hij twee maal niet op het werk was verschenen en eenmaal niet bij de bedrijfsarts, is de plaatsing eind oktober 2002 beëindigd. Vervolgens is gedaagde tewerkgesteld bij de afdeling Groen. In de maanden november en december 2002 is hij enkele keren niet op zijn werk verschenen. Op 24 december 2002 heeft hij zich ziek gemeld. Bij brief van 30 december 2002 heeft verzoeker gedaagde meegedeeld dat hij met ingang van 6 januari 2003 van zijn werk is vrijgesteld. De bedrijfsarts heeft gedaagde per 7 februari 2003 volledig arbeidsgeschikt geacht voor zijn eigen werk.

1.3. Na een gesprek op 15 januari 2003 heeft verzoeker gedaagde bij brief van 21 februari 2003 meegedeeld dat hij voornemens is gedaagde ontslag te verlenen op grond van artikel 1122, aanhef en onder c, van het Ambtenarenreglement Amsterdam, wegens ongeschiktheid en/of onbekwaamheid voor de verdere vervulling van zijn betrekking anders dan uit hoofde van ziekte of gebreken. Nadat betrokkene in de gelegenheid was gesteld zijn zienswijze te geven over dit voornemen heeft verzoeker bij besluit van 16 mei 2003 zijn voornemen uitgevoerd en ontslag verleend met ingang van 1 juni 2003. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 2 maart 2004 gehandhaafd.

1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank met toepassing van artikel 8:86 van de Awb het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat verzoeker een nieuw besluit dient te nemen nadat een medisch onderzoek is verricht waarin tevens aan de orde dient te komen of eiser op medische gronden niet in staat moet worden geacht zijn eigen functie wederom te verrichten. Voorts heeft de voorzieningenrechter bepalingen gegeven inzake de vergoeding van griffierecht en proceskosten. Hoewel gedaagde wegens psychische klachten en epilepsie was uitgevallen, bleek volgens de voorzieningenrechter, uit de brieven van de bedrijfsarts niet van bijzondere aandacht voor de psychische problematiek en was daarnaar geen onderzoek verricht. De jarenlange arbeidsongeschiktheid van gedaagde, waarbij niet uitgesloten kon worden dat psychische klachten een betekenende rol hebben gespeeld, had een aanwijzing voor verzoeker moeten zijn dat de ongeschiktheid van gedaagde wellicht voortkwam uit ziekte of gebrek. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had verzoeker gedaagde dan ook niet mogen ontslaan zonder een medisch onderzoek te verrichten.

2.1.1. De gemachtigde van verzoeker heeft betoogd dat de aangevallen uitspraak geen stand zal kunnen houden. Anders dan de voorzieningenrechter bij de rechtbank heeft geoordeeld, is er wel een uitvoerig specialistisch onderzoek verricht naar het bestaan van een eventuele geestesziekte. Aangezien gedaagde zijn klachten sterk presenteerde vanuit zijn Surinaamse achtergrond, heeft de bedrijfsarts de hoogleraar transculturele psychiatrie prof. dr. J.T.V.M. de Jong gevraagd een uitgebreid onderzoek te verrichten. Dit onderzoek heeft ongeveer anderhalf jaar geduurd en in mei 2001 geresulteerd in een rapportage. Uit de rapportage en uit de later aan de bedrijfsarts gegeven mondelinge toelichting blijkt volgens verzoeker dat er geen sprake was van ziekte of gebreken in engere zin, en dat de problemen van gedaagde te herleiden waren tot zijn overmatige alcoholgebruik. Niet is gebleken van een door het alcoholgebruik veroorzaakt psychisch defect, waardoor gedaagde niet in staat zou zijn om zijn wil te bepalen. Voorts waren er ten tijde van de reïntegratie en de werkhervatting geen aanwijzingen dat het gedrag van gedaagde werd veroorzaakt door een psychisch defect.

De voorzieningenrechter was hiervan niet op de hoogte omdat dit onderwerp noch in de bezwaarfase noch in beroep aan de orde was geweest, zodat hij deze informatie niet heeft meegenomen in zijn oordeel.

2.1.2. Daarnaast heeft de gemachtigde van verzoeker betoogd dat verzoeker een zwaarwegend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Afgezien van de tijd die gemoeid is met een onderzoek en de vraag of het nog mogelijk is om in 2005 een verantwoord medisch oordeel te krijgen over het gedrag van gedaagde in 2002, zal de uitkomst van een onderzoek niet meer weggedacht kunnen worden en zal verzoeker deze bij zijn besluitvorming moeten betrekken, hetgeen gevolgen heeft voor de rechtsverhouding tussen verzoeker en gedaagde, die mogelijk niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden.

2.1.3. Ten slotte heeft verzoeker belang omdat het stadsdeel wordt geconfronteerd met een restitutierisico nu gedaagde zich op het standpunt stelt dat de aangevallen uitspraak impliceert dat het stadsdeel gehouden is het loon door te betalen.

2.2. De gemachtigde van gedaagde bestrijdt de stelling van verzoeker dat de psychische gesteldheid niet in bezwaar en beroep aan de orde is geweest. Zij stelt zich voorts op het standpunt dat prof. dr. de Jong de alcoholafhankelijkheid bij gedaagde heeft beoordeeld als een psychiatrisch ziektebeeld dat bij gedaagde ook geobjectiveerd is aangetoond. Deze hoogleraar heeft niet alleen behandeling tegen alcoholisme maar juist behandeling op diverse vlakken geadviseerd. Gedaagde is slechts kort na de opname in de Jellinek-kliniek begonnen met werkhervatting, terwijl de contacten met de kliniek van mei tot december 2002 bleven doorgaan. De problematiek in het verleden had voor verzoeker aanleiding moeten zijn een nader onderzoek te doen naar de medische (psychische) gesteldheid van gedaagde.

3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:86 Awb hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen is vereist.

3.2. Gelet hierop en onder verwijzing naar zijn uitspraak van 27 augustus 1998, LJN AA8550, TAR 1998, 174, overweegt de voorzieningenrechter dat de enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar het oordeel van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven op zichzelf niet een voldoende grondslag vormt voor het oordeel dat een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert. De wetgever heeft immers aan het instellen van hoger beroep in zaken als de onderhavige uitdrukkelijk geen schorsende werking willen toekennen en daarmee het risico van mogelijke problemen bij de naleving daarvan bij het betrokken bestuursorgaan gelegd. Weliswaar zijn gevallen denkbaar waarin de bij uitvoering van een uitspraak betrokken belangen dermate zwaarwegend zijn, dat aan de hand van een voorlopig oordeel omtrent de mate van waarschijnlijkheid dat die uitspraak in stand zal blijven wordt bezien of voor doorbreking van het door de wetgever gewenste stelsel in het concrete voorliggende geval aanleiding bestaat, doch daarvan is in dit geval geen sprake.

3.3. Het namens verzoeker aangeduide belang is gelegen in de onwenselijkheid een onderzoek te verrichten naar ziekte als mogelijke oorzaak van het disfunctioneren van gedaagde. Verzoeker meent dat kon worden volstaan met het onderzoek door professor dr. de Jong en dat het tijdsverloop een nader onderzoek zinloos maakt.

3.4.1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leveren de door verzoeker aangedragen redenen niet een zwaarwegend spoedeisend belang op als hiervoor in 3.2. bedoeld. De enkele omstandigheid dat inmiddels een aantal jaren zijn verstreken is onvoldoende grond om een medisch onderzoek achterwege te laten. Daargelaten de exacte betekenis van de conclusie uit het rapport van prof. dr. de Jong - partijen verschillen hierover van mening - heeft de rapportage betrekking op de medische situatie van gedaagde in de periode tot 2001. Het gedrag van gedaagde dat heeft geleid tot zijn ontslag dateert van na die periode. De rapportage van prof. dr. De Jong is niet geactualiseerd, zodat niet gezegd kan worden dat nader medisch onderzoek geheel zinloos is. Voorts brengt uitvoering van de aangevallen uitspraak niet zonder meer met zich mee dat het gehele medisch onderzoek opnieuw dient te worden uitgevoerd. Zoals besproken ter zitting en door partijen niet bij voorbaat afgewezen, zou kunnen worden volstaan met het actualiseren van de rapportage van prof. dr. de Jong en zou het onderzoek zich kunnen beperken tot de medische situatie van gedaagde in de periode van 2001 tot aan het ontslag.

4.3.2. Ook de omstandigheid dat nadere besluitvorming gevolgen zou kunnen hebben die mogelijk niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden, alsmede het door verzoeker aangegeven restitutierisico kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet een zwaarwegend (spoedeisend) belang opleveren als hiervoor onder 3.2. bedoeld.

Niet valt in te zien dat uitvoering van de aangevallen uitspraak zal leiden tot onoverkomelijke (financiële) problemen voor verzoeker of onverantwoorde risico’s in de situatie waarin verzoeker zich geplaatst zal zien in geval van een voor hem gunstige uitspraak in de hoofdzaak. Daarentegen is het belang van gedaagde groot, juist omdat hij als gevolg van het besluit is geconfronteerd met een ernstige terugval in inkomen en van een bijstandsuitkering afhankelijk is.

3.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht niet voor inwilliging in aanmerking komt.

4. Er bestaat voorts aanleiding om verzoeker met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde welke worden begroot op € 805,- aan kosten voor rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af;

Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van € 805,-, te betalen door de gemeente Amsterdam.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.