Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT2916

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2005
Datum publicatie
31-03-2005
Zaaknummer
04/3768 WSF en 04/4202 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inleverplicht OV-studentenkaart. Examen of herexamen. Sanctie. Beleid.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet studiefinanciering 2000 3.27
Regeling studiefinanciering 2000 4.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3768 WSF en 04/4202 WSF

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, appellante,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Door appellante is op bij beroepschrift van 5 juli 2004 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen gegeven uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 juni 2004, nr. 03/1629 WSFBSF (gepubliceerd in USF 2003-2004, nr. 53).

Bij schrijven van 8 juli 2004 heeft appellante een nader besluit op bezwaar van gelijke datum toegezonden, waarbij uitvoering is gegeven aan voormelde uitspraak van de rechtbank. Appellante heeft de Raad daarbij verzocht dit nadere besluit te vernietigen, indien de uitspraak van de rechtbank eveneens wordt vernietigd en het inleidend beroep van gedaagde alsnog volledig ongegrond wordt verklaard. Bij brief van 10 augustus 2004 heeft de Raad aan partijen bericht dat in het kader van het reeds aanhangige geding tevens een oordeel zal worden gegeven over dit nadere besluit

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 februari 2005. Aldaar heeft appellante zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. P.E. Merema, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.H. Molenaar als haar raadsman.

II. MOTIVERING

Uit de voorhanden zijnde gegevens leidt de Raad af dat gedaagde gedurende de studiejaren 2000-2001 en 2001-2002 ingeschreven stond bij het Schoevers College te Arnhem voor het volgen van voltijdse beroepsopleidingen tot respectievelijk secretarieel medewerker en directiesecretaresse/managementsecretaresse en dat zij in de studiejaren 2002-2003 en 2003-2004 niet voor het volgen van onderwijs in voltijdse vorm bij deze onderwijsinstelling ingeschreven heeft gestaan. Wel heeft gedaagde na het studiejaar 2001-2002 nog enig (cursorisch) onderwijs genoten aan het Schoevers College en heeft zij in augustus 2003 een herexamen afgelegd in het kader van laatstgenoemde beroepsopleiding.

In verband met de door gedaagde gevolgde voltijdse opleidingen aan het Schoevers College heeft appellante studiefinanciering aan gedaagde toegekend in de vorm van een basisbeurs, een aanvullende beurs, een lening en een OV-studentenkaart.

Na een inschrijvingscontrole heeft appellante bij besluiten van 26 september 2003 de besluiten waarbij eerder studiefinanciering aan gedaagde is toegekend over augustus 2002 tot en met juli 2003 herzien, in die zin dat met ingang van augustus 2002 geen studiefinanciering meer aan gedaagde is toegekend. Daarbij is in totaal € 5.862,14 te veel uitbetaalde toelage teruggevorderd. Verder is ten laste van gedaagde een vordering wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart over de periode 16 oktober 2002 tot 5 augustus 2003 vastgesteld van in totaal € 1.360,-.

Het bezwaar dat gedaagde hiertegen heeft ingediend, is bij besluit van 18 november 2003 (hierna: het bestreden besluit) door appelante ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer verwezen naar artikel 3.27 van de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: WSF 2000).

Bij uitspraak van 15 juni 2004 heeft de rechtbank Arnhem het door gedaagde tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover dit is gericht tegen de vastgestelde vordering wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart en is dit besluit in zoverre vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank appellante opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen door de rechtbank is overwogen, een en ander met een aanvullende beslissing inzake de vergoeding door de Informatie Beheer Groep van het door gedaagde betaalde griffierecht.

Haar oordeel inzake de vastgestelde vordering wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart heeft de rechtbank doen steunen op de overweging dat - kort weergegeven - in artikel 4.10, derde lid, van de Regeling studiefinanciering 2000 (hierna: de Regeling) is bepaald dat in geval van examen, herexamen dan wel uitloting van een studerende, deze studerende niet verplicht is de OV-studentenkaart eerder in te leveren dan binnen 5 werkdagen na het bekend worden van de examen- of herexamenuitslag respectievelijk na het moment waarop de uitslag van de loting bekend is geworden, en dat uit de tekst van deze bepaling niet blijkt dat in geval van een (her)examen daarbij als voorwaarde geldt dat de betrokken studerende ten tijde van het afleggen van het (her)examen aan de onderwijsinstelling ingeschreven staat en recht heeft op studiefinanciering. Nu door de rechtbank ook anderszins geen bevestiging gevonden is voor het door appellante ingenomen standpunt dat gedaagde geen rechten kan ontlenen aan artikel 4.10, derde lid, van de Regeling, ligt het, naar het oordeel van de rechtbank, op de weg van appellante om het toepassingsbereik deze bepaling nader uiteen te zetten.

Appellante heeft zich niet kunnen verenigen met de gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit, de overwegingen waarop deze vernietiging berust en de beslissing inzake het door gedaagde betaalde griffierecht. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat gedaagde na haar uitschrijving als (voltijds) studerende bij het Schoevers College ten onrechte (opnieuw) aan haar toegekende OV-studentenkaarten heeft afgehaald en behouden en dat niet is aangetoond dat het niet tijdig inleveren van deze kaarten gedaagde op geen enkele wijze kan worden toegerekend. Verder is door appellante in essentie haar reeds eerder naar voren gebrachte standpunt herhaald dat het bepaalde in artikel 4.10, derde lid, van de Regeling niet van toepassing is, indien de betrokken studerende - zoals gedaagde - (her)examen doet op een moment waarop deze studerende niet ingeschreven staat voor het volgen van op studiefinanciering aanspraak gevend (voltijds) onderwijs.

De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat zich in het onderhavige geval mogelijk een situatie voordoet waarop het bepaalde in artikel 4.10, derde lid, van de Regeling ziet en overweegt daartoe als volgt.

In artikel 3.27, eerste en tweede lid, van de WSF 2000 is - voor zover hier van belang - bepaald dat de studerende verplicht is de OV-studentenkaart in te leveren uiterlijk op de vijfde werkdag nadat zijn recht op studiefinanciering is beëindigd, dan wel, indien de studerende een OV-studentenkaart heeft afgehaald die ten onrechte is toegekend, voor de eerste dag waarop de kaart ten onrechte voor hem geldig is geworden. In afwijking hiervan is in artikel 4.10, derde lid, van de Regeling bepaald dat de studerende in geval van examen, herexamen dan wel uitloting verplicht is de OV-studentenkaart in te leveren binnen 5 werkdagen na het bekend worden van de examen- of herexamenuitslag respectievelijk na het moment waarop de uitslag van de loting bekend is geworden.

Volgens bestendig beleid verleent appellante in geval van examen of herexamen uitsluitend een vrijstelling van de inleverplicht van artikel 3.27, eerste en tweede lid, van de WSF 2000 door toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 4.10, derde lid, van de Regeling, indien de betreffende studerende (her)examen heeft gedaan op een moment waarop deze studerende ingeschreven stond voor het volgen van op studiefinanciering aanspraak gevend (voltijds) onderwijs en hij of zij na de beëindiging van deze inschrijving nog in afwachting is van de uitslag van dit (her)examen.

De Raad acht dit beleid van appellante niet onredelijk, ziet geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat het minder begunstigend is dan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij de totstandkoming van de Regeling voor ogen heeft gestaan en stelt vast dat appellante in het onderhavige geval niet heeft gehandeld in strijd met haar beleid. Voorts ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellante in het onderhavige geval niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren gebruik te maken van haar aan het voeren van beleid inherente afwijkingsbevoegdheid.

Bij het voorgaande merkt de Raad op dat indien aan het bepaalde in artikel 4.10, derde lid, van de Regeling een ruimere strekking wordt toegedicht dan gebeurt in appellantes beleid, het met de kernbepalingen van de WSF 2000 verweven inschrijvingsvereiste substantieel inboet aan betekenis en dat daarvoor geen grondslag valt aan te wijzen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stelt de Raad vast dat gedaagde niet vrijgesteld is geweest van de verplichting om de aan haar toegekende OV-studentenkaarten tijdig in te leveren en dat zij niet aan deze verplichting heeft voldaan.

Bij niet tijdig inleveren van de OV-studentenkaart is degene aan wie de kaart is verstrekt ingevolge artikel 3.27, derde lid, van de WSF 2000 voor het nog resterende deel van de geldigheidsduur ervan een bedrag van € 68,- per halve kalendermaand of deel daarvan verschuldigd, tenzij met betrekking tot die periode of een gedeelte daarvan wordt aangetoond dat het niet tijdig inleveren betrokkene door een overmachtsituatie op geen enkele wijze kan worden toegerekend. Van een dergelijke overmachtsituatie is de Raad niet gebleken.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep van appellante doel treft, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden vernietigd. Verder is de Raad van oordeel dat het inleidend beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit in zijn volle omvang alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

Door de vernietiging van de aangevallen uitspraak ontvalt de grondslag aan het ter uitvoering van die uitspraak gegeven nadere besluit op bezwaar van 8 juli 2004, zodat dit besluit evenzeer moet worden vernietigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het inleidend beroep alsnog volledig ongegrond;

Vernietigt het nadere besluit van 8 juli 2004.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.