Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT0661

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2005
Datum publicatie
16-03-2005
Zaaknummer
03/3691 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is betrokkene terecht niet in aanmerking gebracht voor een gemeentelijke aanvulling zijn de FPU-uitkering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/3691 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘s-Hertogenbosch, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 16 juni 2003, nr. AWB 03/47, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 februari 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.B. Los, werkzaam bij de gemeente ‘s-Hertogenbosch. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. dr. S.F.H. Jellinghaus, advocaat te Tilburg.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Gedaagde was werkzaam als senior medewerker Financieel Management Informatievoorziening bij de gemeente ’s-Hertogenbosch. In maart 1998 is met gedaagde een non-activiteitsregeling overeengekomen, welke inging op 1 april 1998 en waarin is neergelegd dat hij op 1 mei 2002 volledig met FPU gaat.

1.2. Met ingang van 1 mei 2002 is gedaagde op zijn verzoek ontslag verleend en heeft hij gebruik gemaakt van de FPU-regeling van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP).

1.3. In april 2002 heeft gedaagde appellant gevraagd hem in aanmerking te brengen voor een gemeentelijke aanvulling op de FPU-uitkering, als geregeld in het op 1 januari 2000 in werking getreden hoofdstuk 5a van de CAR. Bij besluit van 24 mei 2002 heeft appellant dit verzoek afgewezen. Bij besluit van 11 december 2002 heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van gedaagde tegen het besluit van 11 december 2002 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen, met bijkomende beslissingen inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft hierbij als haar oordeel gegeven dat hoofdstuk 5a van de CAR, anders dan appellant meent, op gedaagde van toepassing is. In de non-activiteits-regeling zijn geen bepalingen opgenomen over hoe te handelen bij wijzigingen - ten voor- of ten nadele van betrokkenen - van de rechtspositieregeling; nu gedaagde tot zijn ontslag ambtenaar is gebleven, is de op dat moment geldende CAR op hem van toepassing, aldus de rechtbank. Voorts heeft de rechtbank de vraag of de non-activiteitsregeling behoort tot de in hoofdstuk 5 van de CAR genoemde regelingen ontkennend beantwoord.

3. Appellant kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen en heeft in dit verband aangevoerd dat de non-activiteitsregeling inhoudt dat aan gedaagde tot zijn ontslag op 1 mei 2002 75% van zijn salaris wordt uitbetaald, hetgeen in hoogte overeenkomt met de uitkering ingevolge de landelijke FPU-regeling die hij nadien zou ontvangen. Bij het opstellen van de non-activiteitsregeling is er aldus vanuit gegaan dat gedaagde na zijn ontslag een even hoge uitkering zou ontvangen als voordien. Appellant acht het ongerechtvaardigd dat de uitkering van gedaagde nog tot 90% van zijn salaris zou worden aangevuld op grond van hoofdstuk 5a van de CAR. Ter zitting heeft appellant zich nog beroepen op de uitspraak van de Raad van 1 juli 2004, nr. 02/2151 AW.

4.1. De Raad stemt in met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die haar tot dit oordeel hebben gebracht. Hij merkt hierbij op dat gedaagde tot 1 mei 2002 in dienst is gebleven van de gemeente ’s-Hertogenbosch en dat in de non-activiteitsregeling niets is bepaald omtrent de hoogte van de FPU-uitkering die gedaagde na deze datum zou ontvangen, hetgeen meebracht dat de ten tijde van het ontslag geldende FPU-regeling(en) van toepassing zou(den) zijn. In dit laatste opzicht onderscheidt deze zaak zich ook van die waarop de door appellant genoemde uitspraak van de Raad van 1 juli 2004 ziet. In die zaak was met de betrokkene een overeenkomst gesloten waarin was gegarandeerd dat deze na ontslag een uitkering van een bepaalde hoogte zou verkrijgen en waarbij uitdrukkelijk was bepaald dat de ten tijde van het afsluiten van de non-activiteitsregeling geldende FPU-regeling van toepassing zou blijven.

4.2. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de gemeente ’s-Hertogenbosch;

Bepaalt dat van de gemeente ’s-Hertogenbosch een griffierecht van € 414,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. A. Beuker-Tilstra als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2005.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

08.03