Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT0129

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2005
Datum publicatie
14-03-2005
Zaaknummer
03/4028 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is betrokkene terecht ontslag verleend uit de militaire dienst wegens wangedrag (Gebruik van drugs)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/4028 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 2 juli 2003, nr. AWB 02/03556 MAWKLA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft voor zijn verweer verwezen naar hetgeen door hem bij de rechtbank naar voren is gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 januari 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Th. Martens, gemachtigde. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y. van Wezel, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Bij besluit van 4 maart 2002 heeft gedaagde appellant met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement met ingang van 8 maart 2002 ontslag verleend uit de militaire dienst wegens wangedrag. Gedaagde heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellant drugs heeft gebruikt en in bezit heeft gehad terwijl hij bekend was met het stringente beleid van gedaagde ter zake van zodanig gebruik en bezit. Bij het bestreden besluit van 9 augustus 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 maart 2002 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is van de zijde van appellant aangevoerd dat hij geen drugs heeft gebruikt doch slechts aan een bepaalde stof, waarvan niet vaststaat dat deze drugs betrof, heeft geroken. Appellant ontkent voorts niet dat hij in het bezit is geweest van drugs maar deze zijn hem ongevraagd ter hand gesteld waarna hij deze heeft willen teruggeven; in dit teruggeven is hij niet geslaagd omdat hij al spoedig in het bezit van de drugs werd aangehouden. Verder heeft appellant als grief geuit dat gedaagde bij zijn bestreden besluit ongemotiveerd is afgeweken van het advies van het Adviesorgaan Bestuursrechtelijke Geschillen Koninklijke Landmacht (ABGKL), dat strekte tot gegrondverklaring van zijn bezwaar.

4.1. De Raad overweegt dat gedaagde in zijn bestreden besluit wel degelijk aandacht heeft besteed aan het door de ABGKL uitgebrachte advies. Gedaagde heeft daarbij argumenten tot handhaving van het ontslag gebezigd waaruit kan worden afgeleid waarom hij niet is meegegaan met dit advies. In dit verband heeft gedaagde allereerst gewezen op het op 7 april 1998 vastgestelde “Drugsbeleid Koninklijke Landmacht” waarin is neergelegd dat als regel voor ontslag dient te worden voorgedragen de militair van wie kan worden aangetoond dat hij harddrugs aanwezig had (ongeacht de hoeveelheid) of heeft gebruikt. Van belang is daarbij, naar gedaagde terecht heeft opgemerkt, dat appellant op 30 mei 2002 door de Militaire Politierechter te Arnhem is veroordeeld wegens het aanwezig hebben van amfetamine, zijnde een harddrug, waarbij een straf is opgelegd van € 450,-- en subsidiair negen dagen hechtenis. De Raad wijst erop dat appellant deze amfetamine op 4 oktober 2001 van een collega kreeg aangereikt en tot 8 oktober 2001, toen hij werd aangehouden door de Koninklijke Marechaussee, aanwezig heeft gehad. Voor de Raad is niet aannemelijk dat het voor appellant niet mogelijk was om te weigeren de harddrug in ontvangst te nemen, althans zich na korte tijd daarvan weer te ontdoen. Daarnaast blijkt uit een brief van appellant zelf van 10 oktober 2001 dat hij op 1 oktober 2001 met een aantal collega’s met de auto op pad is gegaan om eventueel drugs te gaan gebruiken. Naar appellant in deze brief ook vermeldt, heeft hij geprobeerd het spul op te snuiven maar heeft hij bijna niets naar binnen gekregen. Voorzover appellant nadien afbreuk aan de juistheid hiervan heeft willen doen, is de Raad van oordeel dat er alle aanleiding bestaat appellant aan deze kort na het voorval in volle vrijheid aan een leidinggevende gedane schriftelijke mededeling te houden. Vastgesteld dient derhalve te worden dat appellant ook op 1 oktober 2001 gedrag heeft vertoond dat zich niet verdraagt met het vanwege gedaagde gevoerde drugsbeleid.

De Raad heeft voorts uit de stukken, waaronder het verslag van de op 12 oktober 2001 gehouden hoorzitting, opgemaakt dat appellant vanwege gedaagde op de hoogte was gesteld van meergenoemd stringent drugsbeleid.

4.2. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat gedaagde appellant er terecht van heeft beticht zich naar voor beroepsmilitairen aan te leggen maatstaven aan wangedrag te hebben schuldig gemaakt. Gedaagde heeft voorts groot gewicht mogen hechten aan het voeren van een streng beleid dat erop is gericht de militaire ambtenaren verre te houden van het gebruiken en bezitten van drugs, en zeker van harddrugs. In dit licht kan de Raad het appellant verleende ontslag niet als onevenredig beschouwen aan de aard en de ernst van het wangedrag.

4.3. Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak bevestiging verdient.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en prof. mr. F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) L.N. Nijhuis.