Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AT0115

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2005
Datum publicatie
22-03-2005
Zaaknummer
02/2382 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering te veel betaalde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/2382 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Financiën, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 5 maart 2002, nr. AWB 00/7495 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben ieder nog een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 april 2004, waar appellant in persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door L.P. de Jonge, werkzaam bij het Ministerie van Financiën.

Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend.

De Raad heeft aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een vraag gesteld, die bij brief van 3 juni 2004 is beantwoord. Desgevraagd heeft gedaagde hierop bij brief van 17 augustus 2004 gereageerd.

Ook aan appellant is een vraag gesteld, waarop deze bij brief van 20 juni 2004 heeft geantwoord.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van 3 februari 2005, waar appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als veld-/kantoortoetser bij de Belastingdienst Ondernemingen te Helmond. Met ingang van 1 april 1996 is hem eervol ontslag verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Na een procedure in bezwaar en beroep heeft gedaagde het ontslagbesluit ingetrokken. Dit betekende dat de financiële gevolgen van het ontslag ongedaan moesten worden gemaakt.

1.2. In december 1997 en maart 1998 heeft USZO - uitgaande van het ontslag - de aan appellant uitbetaalde herplaatsingstoelage van appellant teruggevorderd. Daarbij ging het om het brutobedrag van de toelage over 1996 ad f 25.512,56, vermeerderd met het nettobedrag van de toelage over 1997 ad f 21.323,67, derhalve in totaal f 46.836,23. Appellant heeft laatstgenoemd bedrag in mei 1998 rechtstreeks aan USZO terugbetaald.

1.3. In maart 1998 heeft gedaagde aan appellant een salarisspecificatie toegezonden met onder meer berekeningen van het alsnog uit te betalen salaris over 1996, 1997 en de maanden januari, februari en maart 1998. Daarbij is - in het licht van de reeds door USZO gedane terugvordering ten onrechte - beoogd ook de herplaatsingstoelage in mindering te brengen. Op basis van een foutieve uitleg van een brief van USZO van 28 januari 1998 heeft gedaagde aangenomen dat het (slechts) ging om een totaal bedrag van f 21.323,67. Evenzeer ten onrechte is dit bedrag niet éénmaal doch 15 maal op het salaris in mindering gebracht. Dit leverde een negatief eindresultaat op, zodat appellant per saldo in de maand maart 1998 geen geld kreeg uitbetaald. Nadat was onderkend dat de berekening niet deugde, heeft gedaagde appellant een voorschot van f 40.000,- uitgekeerd.

1.4. Bij de salarisspecificatie over de maand april 1998 is, naast de berekening van het uit te betalen salaris over die maand, getracht de in maart 1998 gemaakte vergissing te herstellen. Daartoe is het negatieve eindsaldo van de specificatie van maart 1998 opgevoerd (kennelijk om computertechnische redenen verdeeld over twee kolommen ad f 99.999,- en één kolom met het restant), verminderd met 15 x f 21.323,67 (verdeeld over twee kolommen) en met het uitbetaalde voorschot ad f 40.000,-. Tevens is de te verrekenen herplaatsingstoelage ad f 21.323,67 opgevoerd, echter abusievelijk niet als aftrekpost maar als bijtelling. Het aldus berekende bedrag ad f 49.671,12 is door gedaagde, tegelijk met het salaris over april 1998, aan appellant uitbetaald.

1.5. In oktober 1998 is bij een interne administratieve controle gebleken dat ook de afrekening van april 1998 niet deugde. Hierop is enige correspondentie gevolgd. Bij besluit van 19 januari 2000, na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit van 25 oktober 2000, heeft gedaagde van appellant een bedrag van in totaal f 24.049,38(thans: € 10.913,18) teruggevorderd. Dit bedrag is samengesteld uit (tweemaal f 21.323,67 minus éénmaal f 21.323,67 voldaan aan USZO, blijft:) f 21.323,67 plus een aan gedaagde overgedragen vordering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (Abp) ten bedrage van f 8.926,23 minus een bedrag van f 6.200,52 aan wettelijke rente over het salaris.

1.6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Volgens vaste jurisprudentie (zie CRvB 24 februari 2000, TAR 2000, 50) is een bestuursorgaan, op grond van het algemeen rechtsbeginsel dat hetgeen onverschuldigd is betaald kan worden teruggevorderd, bevoegd tot terugvordering van hetgeen aan een (gewezen) ambtenaar ten onrechte is betaald, tenzij andere algemene rechtsbeginselen zich daartegen verzetten. In een situatie waarin de ambtenaar wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij te veel ontving, kan het bestuursorgaan in beginsel het onver-schuldigd betaalde gedurende twee jaren na de dag van uitbetaling terugvorderen. Deze termijn kan tot vijf jaren worden verlengd indien de gemaakte fout door toedoen van betrokkene is ontstaan.

2.2. Van enig toedoen aan de zijde van appellant is niet gebleken.

2.3. Met betrekking tot de vraag of appellant redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat hij teveel ontving, stelt de Raad voorop dat in het algemeen van een ambtenaar een aanzienlijke mate van oplettendheid mag worden verwacht bij het controleren van afrekeningen en specificaties die hem door het bevoegd gezag worden toegezonden. Dit geldt temeer in een geval als hier aan de orde, waar het gaat om een belastingambtenaar die uit hoofde van zijn functie vertrouwd is met de omgang met cijfers. Toch is de Raad van oordeel dat de grens is overschreden van hetgeen gedaagde nog in redelijkheid aan begrip en inzicht van appellant mocht verlangen. De ontstane problemen vinden hun oorsprong in het feit dat gedaagde appellant, naar als vaststaand moet worden aangenomen, ten onrechte heeft ontslagen. Bij het ongedaan maken van de financiële gevolgen hiervan heeft gedaagde fout op fout gestapeld en bij pogingen om deze fouten te herstellen is opnieuw een ernstige misslag begaan. Van de desbetreffende specificaties moet worden gezegd dat deze zowel naar inhoud als naar wijze van presentatie onduidelijk en verwarrend waren. In het licht hiervan en gezien de veelheid van te verrekenen posten, kan gedaagde ook niet staande houden dat appellant reeds bij globale vergelijking van bedragen had moeten beseffen dat hij méér ontving dan hem rechtens toekwam. De klacht van appellant dat van de zijde van gedaagde onvoldoende bereidheid is getoond om de ontstane situatie door middel van persoonlijk overleg tot klaarheid te brengen, kan de Raad ten slotte evenmin als ongegrond aanmerken.

2.4. De Raad komt derhalve tot de conclusie dat gedaagde niet bevoegd was het aan appellant (per saldo) onverschuldigd betaalde bedrag van f 21.323,67 terug te vorderen. Het bestreden besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak.

2.5. Gedaagde zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Daarbij dient niet alleen het terug te vorderen bedrag te worden vastgesteld, maar ook - rekening houdende met hetgeen reeds door appellant is betaald en van hem is ingehouden - duidelijk te worden aangegeven welk bedrag appellant uiteindelijk moet bijbetalen of terugontvangen. De Raad stelt daartoe een termijn van zes weken na de dag van verzending van de onderhavige uitspraak.

3. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 322,- aan kosten van rechtsbijstand en een bedrag groot € 9,50 aan reiskosten in eerste aanleg en tot een bedrag groot € 21,20 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal derhalve

€ 352,70.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en het besluit van gedaagde van 25 oktober 2000;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak en met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 352,70, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 267,10 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. R. Kooper en prof. mr. A.Q.C. Tak als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

21.02