Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS9917

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2005
Datum publicatie
11-03-2005
Zaaknummer
03/1726 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om vergoeding voor aanbrengen tandheelkundige inplantaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2005, 87
TAR 2005/103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/1726 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het dagelijks bestuur van IZA Nederland, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 februari 2003, nr. SBR 02/793 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 3 februari 2005, waar namens appellant aanwezig was mr. R.W. de Groote, verbonden aan CNV Rechtshulp, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. S. van de Pol, werkzaam bij IZA Nederland. Appellant is niet ter zitting verschenen.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Ten behoeve van de echtgenote van appellant is op 8 augustus 2001 een verzoek ingediend om vergoeding van het aanbrengen van tandheelkundige implantaten in de onderkaak.

1.2. Bij besluit van 8 oktober 2001, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 11 maart 2002, heeft gedaagde dit verzoek afgewezen. Daartoe heeft gedaagde - kort gezegd - overwogen dat op de onderkaak een goede conventionele prothese is te vervaardigen en dat dit nog niet was gebeurd.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Ingevolge de Vergoedingenlijst 2001 wordt een nader omschreven vergoeding verleend voor het plaatsen van implantaten en het daarop aanbrengen van een tandheelkundige prothese. De vergoeding wordt beperkt tot maximaal vier implantaten per kaak en wordt alleen verleend indien gedaagde vooraf machtiging heeft verleend. Deze machtiging wordt alleen verleend indien:

- het plaatsen van deze implantaten gebeurt door een tandarts die bij de NVOI staat geregistreerd met de kwalificatie TSVI-c en

- de implantaten worden geplaatst in de tandeloze kaak ter verhoging van de stabiliteit en retentie voor een nieuw te vervaardigen overkappingsprothese en

- de prothetische voorgeschiedenis zodanig is, dat vaststaat dat niet op andere wijze adequate hulp kan worden geboden, bijvoorbeeld door een optimaal vervaardigde prothese.

2.2. Blijkens de stukken en de nadere toelichting ter zitting hanteert gedaagde als uitgangspunt dat - alvorens met plaatsing van de verhoudingsgewijs kostbare implantaten wordt ingestemd - in het algemeen van de betrokkene wordt verlangd dat hij of zij het eerst probeert met een goed passende conventioneel vervaardigde prothese. Daaraan ligt de opvatting ten grondslag dat zo'n conventionele prothese onder normale omstandig-heden goed voldoet, maar dat men deze moet leren dragen en daartoe vaak eerst de nodige psychische weerstand moet overwinnen.

2.2.1. De Raad is van oordeel dat dit uitgangspunt van gedaagde verenigbaar is met het bepaalde in de Vergoedingenlijst. Niet is aangetoond dat het zich niet verdraagt met de eisen van een goede tandheelkundige praktijk. Daarvoor is niet voldoende dat, blijkens de door appellant overgelegde stukken, van medische zijde wordt gewezen op de wenselijkheid om met het plaatsen van implantaten niet te wachten totdat de kaak te ver is geslonken.

2.3. In dit geval laten de gedingstukken zien dat omstreeks oktober 1999 de resterende kiezen uit de onderkaak zijn verwijderd, waarbij evenwel de wortels behouden zijn gebleven. Er is toen een noodvoorziening getroffen in de vorm van een zogenoemde immediaat prothese. Omstreeks mei 2000 is een als definitief bedoelde prothese aangebracht met wortelkap en stift op de resterende natuurlijke elementen. Ongeveer een jaar later zijn de nog aanwezige wortels uit de onderkaak verwijderd en is de bestaande prothese aan de nieuwe situatie aangepast.

2.4. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde zich terecht op het standpunt gesteld dat daarmee niet is voldaan aan het vereiste dat de betrokkene het eerst met een goede conventionele prothese moet hebben geprobeerd. Dit vereiste inzake de "prothetische voorgeschiedenis" dient te worden bezien in samenhang met de eveneens in de Vergoedingenlijst gestelde voorwaarde dat het gaat om een tandeloze kaak. Van een tandeloze kaak kon eerst worden gesproken toen ook de wortels (de nog resterende gedeelten van de vroegere kiezen) uit de onderkaak waren verwijderd. De omstreeks mei 2000 vervaardigde prothese was afgestemd op de situatie met wortels en dus niet op een tandeloze kaak. Uit de rapporten van gedaagdes adviserend tandarts Van Kempen, die de echtgenote van appellant op 4 oktober 2001 zelf heeft onderzocht, komt overtuigend naar voren dat de aanpassingen die na het verwijderen van de wortels aan deze prothese zijn aangebracht niet betekenden dat de prothese in de nieuwe situatie als optimaal kon worden beschouwd. Deze zienswijze wordt ondersteund door gedaagdes tandheelkundig adviseur Huddleston Slater. Bovendien laat Van Kempen er geen misverstand over bestaan dat alle tandheelkundige en technische voorwaarden voor een optimaal functionerende conventionele prothese nog aanwezig waren. De door appellant overgelegde deskundigenrapporten doen daaraan onvoldoende af, nu deze kennelijk berusten op de zienswijze dat implantaten zonder meer de beste oplossing vormen en zo vroeg als redelijkerwijs mogelijk moeten worden aangebracht. Die opvatting staat haaks op het hier van toepassing zijnde vergoedingenstelsel.

2.5. Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. R. Kooper en prof. mr. A.Q.C. Tak als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

21.02

Q