Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS9908

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2005
Datum publicatie
16-03-2005
Zaaknummer
03/608 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening van de met toepassing van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs aan betrokkene toegekende suppletie. Terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/608 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 30 december 2002, nr. 01/1859 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft desgevraagd nog stukken toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 januari 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door P.C.M. Satijn, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Gedaagde is niet verschenen.

II. MOTIVERING

1. Bij besluit van 23 september 1999 zijn - onder verwijzing naar een eerder besluit waarbij de met toepassing van het (inmiddels zogenoemde) Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs (BZA) aan gedaagde toegekende suppletie is herzien - bedragen van f 12.844,32 bruto en f 4.086,90 netto, welke haar over de periode van 7 januari 1998 tot 1 juli 1999 te veel aan suppletie zouden zijn betaald, van gedaagde teruggevorderd.

Bij besluit van 26 oktober 1999 heeft appellant aan gedaagde kenbaar gemaakt op welke wijze de op haar bestaande vordering zal worden ingevorderd.

Bij besluit van 1 maart 2001 zijn de bezwaren van gedaagde tegen de besluiten van 23 september 1999 en 26 oktober 1999 door USZO B.V. namens appellant ten dele gegrond en ten dele ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van gedaagde tegen het besluit van 1 maart 2001 gegrond verklaard en dit besluit alsook de primaire besluiten van 23 september 1999 en 26 oktober 1999 vernietigd, onder bepaling dat die uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 1 maart 2001. Hiertoe heeft de rechtbank, afgaande op een desgevraagd overgelegde mandaatregeling, overwogen dat appellant geen mandaat heeft verleend voor het nemen van besluiten over het recht op suppletie als bedoeld in artikel 21 van het BZA of het terugvorderen en invorderen van onverschuldigd betaalde suppletie op grond van artikel 44 van het BZA. De rechtbank heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat ook de primaire besluiten onbevoegdelijk zijn genomen en dat herstel van deze gebreken in de bezwaarprocedure niet mogelijk is.

3.1. In hoger beroep is door appellant gewezen op het op 1 januari 2001 in werking getreden mandaatbesluit van 16 augustus 2002, Stcrt. 164, waaruit de Raad afleidt dat het besluit van 1 maart 2001 bevoegdelijk namens appellant is genomen. Gelet hierop kan in het midden blijven of de primaire besluiten van 23 september 1999 en

26 oktober 1999 wel bevoegdelijk zijn genomen aangezien de vaste jurisprudentie van de Raad inhoudt dat indien de beslissing op bezwaar op correcte wijze door of namens het bevoegde orgaan is genomen een aan het primaire besluit klevend bevoegdheidsgebrek geacht kan worden te zijn geheeld.

3.2. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

3.3. Nu de rechtbank niet aan een inhoudelijke behandeling van het door gedaagde bij haar ingestelde beroep is toegekomen, is de Raad, gelet ook op de standpunten terzake van partijen, van oordeel dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld. De Raad zal de zaak dan ook terugwijzen naar de rechtbank.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak terug naar de rechtbank.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en prof. mr. F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2005.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) L.N. Nijhuis.

HD

14.02