Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS9901

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2005
Datum publicatie
11-03-2005
Zaaknummer
03/4267 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderhandelaarsakkoord Honorering Medisch Specialisten. Vaststelling rechtspositie van betrokkene op grond van de Honoreringsregeling. Toelage. Vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/4267 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van Bestuur AMC, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2003, nr. AWB 02/224 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 januari 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. A.C. Siemons, advocaat te Amsterdam, alsmede door N.I. Polak en A. Poetsma, beiden werkzaam bij het AMC te Amsterdam. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. E.H. Meier, werkzaam bij de LAD.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Gedaagde was als chirurg werkzaam bij het AMC. Met ingang van 1 juni 1987 is hij benoemd tot hoofd van de polikliniek algemene heelkunde. Daarnaast vervulde hij de functie van chef werkplek van de polikliniek chirurgische specialismen uit hoofde van welke functie hij een toelage chef de clinique ontving. In verband met zijn terugtreden uit laatstgenoemde functie is hem per 1 juni 1995 op grond van artikel 36a van het RRAMC een vaste persoonlijke toelage van f 1.228,- per maand toegekend. Laatstelijk tot 1 juni 1999 was gedaagde werkzaam als Academisch Specialist C. Naast het daarbij behorende salaris ontving hij de genoemde persoonlijke toelage en een vergoeding conform de bijzondere honoreringsregeling.

1.2. Op 7 april 1999 is binnen het Landelijk overleg academische ziekenhuizen (LOAZ) tussen de Vereniging Academische Ziekenhuizen enerzijds en de belangenorganisaties van artsen anderzijds het zogeheten Onderhandelaarsakkoord Honorering Medisch Specialisten tot stand gekomen. Vervolgens is dit akkoord door de aangesloten artsen met meerderheid van stemmen aanvaard en daarna door de besturen van de academische ziekenhuizen verwerkt in hun rechtspositieregelingen, in dit geval het Rechtspositie-reglement Academisch Medisch Centrum (RRAMC). Deze herziening van de rechtspositieregeling wordt wel aangeduid als de Honoreringsregeling.

1.2.1. De Honoreringsregeling voorziet - kort samengevat en voorzover hier van belang - in een algehele herziening van de inschaling van academisch medisch specialisten per 1 juni 1999, waartoe onder meer regels zijn gegeven omtrent de indeling in de nieuwe schalen, het toekennen van nader omschreven toeslagen en het garanderen van bepaalde inkomensniveaus. Daarnaast zijn voor dit geding nog enkele algemene in de rechtspositieregeling opgenomen bepalingen met betrekking tot de bezoldiging van belang.

1.3. Bij besluit van 6 februari 2001 heeft appellant, ter uitvoering van een op 23 februari 2000 bekend gemaakt voornemen, de rechtspositie van gedaagde op grond van de Honoreringsregeling vastgesteld. Daarbij is gedaagde per 1 juni 1999 geplaatst in de schaal van Academisch Medisch Specialist (AMS), trede 10, en is hem een salaris toegekend overeenkomstig de daarvoor geldende tabel, zonder persoonlijke toelage en zonder toelage voor verzwarende omstandigheden (TVO). Gedaagde heeft daartegen bezwaar gemaakt, stellende dat hij naast zijn inschaling in

AMS-10 aanspraak heeft op een persoonlijke toelage van ten minste f 1.228,-. Bij het bestreden besluit van 11 december 2001 heeft appellant zijn eerdere besluit gehandhaafd.

1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van gedaagde gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven inzake proceskosten en griffierecht.

2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Niet in geschil is dat gedaagde op grond van zijn oude schaal en dienstjaren in beginsel moest worden ingeschaald als AMS, trede 7. Bij de inschaling is tevens toepassing gegeven aan de zogeheten f 10.000-regeling neergelegd in

artikel 109.6, vijfde lid, van het RRAMC. Deze regeling komt erop neer dat de inschaling in de geldende schaal - indien nodig en mogelijk - zodanig wordt verhoogd dat de betrokkene er op jaarbasis ten minste f 10.000,- op vooruit gaat. Daartoe is bij het primaire besluit een vergelijking gemaakt tussen het nieuwe ambtelijke inkomen van gedaagde per 1 juni 1999 en zijn oude bruto jaarinkomen als bedoeld in artikel 109.5, eerste lid, van het RRAMC. Teneinde de inkomensvooruitgang met ten minste f 10.000,- te waarborgen, is de inschaling nader bepaald op schaal AMS, trede 10.

2.2. Vast staat dat, bij het maken van de onder 2.1. bedoelde vergelijking, de onder 1.1. bedoelde persoonlijke toelage in de berekening van het oude bruto-inkomen is betrokken. Met andere woorden: het nieuwe ambtelijke inkomen is tenminste

f 10.000,- hoger dan het oude inkomen inclusief persoonlijke toelage. De Raad onderschrijft dan ook niet het oordeel van de rechtbank dat de persoonlijke toelage in het kader van de herinschaling aan gedaagde is ontnomen. De persoonlijke toelage als zodanig bestaat niet meer, maar de geldswaarde ervan is bij de bepaling van het nieuwe ambtelijke salaris mede in aanmerking genomen en gedaagde ontvangt die geldswaarde nog steeds, zij het in andere vorm. Dat dit niet leidt tot een verdere stijging in inkomen dan reeds uit de onder 2.1. bedoelde herinschaling voortvloeit, is een gevolg van het stelsel van de Honoreringsregeling, dat door appellant op juiste wijze is toegepast.

2.3. Om dezelfde reden faalt het betoog van gedaagde dat bij de inschaling rekening had moeten worden gehouden met de omstandigheid dat hij in de oude situatie te laag was ingeschaald ten opzichte van zijn collega's, alsmede dat hij in de nieuwe situatie toch al de TVO misloopt omdat hij uit hoofde van zijn functie niet in de gelegenheid is om diensten te verrichten. Dit zijn voor de toepassing van de Honoreringsregeling geen relevante factoren.

2.4. Met betrekking tot de vraag of gedaagde anderszins aanspraak kan maken op een toelage, overweegt de Raad het volgende.

2.4.1. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant redelijkerwijs kunnen afzien van het toekennen van een manage- menttoelage als bedoeld in artikel 109.11 van het RRAMC. Het verrichten van managementtaken behoort niet zonder meer tot een functie op het niveau van schaal AMS, en niet is gebleken dat gedaagde zodanige taken wel verrichtte. Appellant mocht zich op het standpunt stellen dat het ging om niet meer dan planning en coördinatie, waardoor het samenstel van feitelijk door gedaagde verrichte werkzaamheden niet zodanig boven het functieniveau uitging dat gedaagde uit dien hoofde aanspraak kon maken op een managementtoelage.

2.4.2. Het door gedaagde gedane beroep op het vertrouwensbeginsel, teneinde een persoonlijke toelage te verkrijgen op grond van artikel 36a van het RRAMC, slaagt evenmin. Niet is aangetoond dat aan gedaagde - bijvoorbeeld in 1995 - is toegezegd dat hij wat betreft zijn honorering te allen tijde op herkenbare wijze als een chef de (poli)clinique zou worden behandeld. Dat in de brief van 30 mei 1995, waarbij de vaste toelage van f 1.228,- is toegekend, is aangegeven dat het bedrag van deze toelage zich in de toekomst niet meer zal wijzigen, ook niet bij algehele (lees: algemene) salarismaat- regelen, kan niet worden opgevat als de garantie van een blijvende afzonderlijke toelage. Van een wijziging in zijn nadeel is voor gedaagde geen sprake, nu de geldswaarde van de toenmalige toelage in zijn nieuwe ambtelijke salaris is begrepen en hij er overigens ook daarenboven nog in inkomen op vooruit gaat.

2.5. Het hoger beroep treft derhalve doel. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking en het beroep van gedaagde dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van gedaagde ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) A. de Gooijer.