Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS9896

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2005
Datum publicatie
11-03-2005
Zaaknummer
03/3471 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is betrokkene terecht ontslagen omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan herhaaldelijke werkweigering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/3471 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het bestuur van de Stichting Dienst Waterbeheer Riolering Amsterdam en Amstel, Gooi en Vecht, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 juni 2003, nr. AWB 02/1489 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 januari 2005 waar namens appellant is verschenen mr. W.D. van Doorn, advocaat te Amsterdam. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.E. van Soest, werkzaam bij Vijverberg juristen te ’s-Gravenhage, en A.A. Beelen, werkzaam bij de Dienst Waterbeheer en Riolering Amsterdam Amstel, Gooi en Vecht (DWR).

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als [naam functie] bij DWR. Op 13 juni 2000 heeft hij zich ziek gemeld. In oktober 2000 is appellant zonder bericht van verhindering niet verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts waarvoor hij was uitgenodigd.

De bedrijfsarts heeft appellant met ingang van 15 januari 2001 weer geschikt geacht om gedurende 30% van zijn arbeidstijd te werken. In strijd met de in verband hiermede gemaakte afspraak heeft appellant zijn werkzaamheden toen niet deels hervat. In februari 2001 is er vervolgens enkele malen telefonisch contact geweest tussen de leidinggevende van appellant en de echtgenote van appellant, die te kennen gaf dat appellant zich te ziek voelde om weer te gaan werken.

Op 23 maart 2001 is appellant door de bedrijfsarts gezien waarna deze laatste heeft vastgesteld dat appellant weer voor 50% arbeidsgeschikt was en op 26 maart 2001 voor dit deel in dagdienst diende te hervatten.

1.2. Bij (aangetekende) brief van 29 maart 2001 heeft gedaagde appellant er op gewezen dat hij voor de tweede maal het oordeel van de bedrijfsarts dat hij gedeeltelijk weer aan het werk diende te gaan, heeft genegeerd. Gedaagde heeft hem hierbij opgedragen om uiterlijk maandag 2 april 2001 zijn werk te hervatten. Voor het geval appellant hieraan geen gehoor zou geven zijn rechtspositionele gevolgen, mogelijk zelfs strafontslag, in het vooruitzicht gesteld. Tenslotte heeft gedaagde appellant medegedeeld dat indien hij een bezwaarschrift zou indienen, hij gedurende de behandeling daarvan en het eventuele onderzoek dat dan zal worden gedaan, geen gevolg behoeft te geven aan het oordeel van de bedrijfsarts.

Het door appellant gemaakte bezwaar heeft ertoe geleid dat gedaagde een onafhankelijk deskundigenonderzoek (second opinion) heeft aangevraagd bij USZO. Appellant is vervolgens onderzocht door een verzekeringsarts, die op basis van eigen onderzoek en de uitslag van een neurologisch onderzoek op 19 juni 2001 heeft geconcludeerd dat appellant voor 50% hersteld is te achten en in een aangepast rooster met vaste werktijden zijn werk als [naam functie] weer kan verrichten. Diezelfde dag heeft de verzekeringsarts deze conclusie telefonisch aan de echtgenote van appellant medegedeeld.

1.3. Bij brief van 31 juli 2001 heeft gedaagde appellant voorgehouden dat hij geen gehoor had gegeven aan de verplichting om binnen 24 uur na ontvangst van de uitslag van het onderzoek van de onafhankelijke deskundige contact met gedaagde op te nemen. Gelet hierop heeft gedaagde appellant opgedragen om zich binnen 24 uur na ontvangst van deze brief in verbinding te stellen met een nader genoemde medewerker teneinde zijn werkhervatting te bespreken. Indien appellant niets van zich zou laten horen, zou dit als werkweigering, zijnde een ernstig plichtsverzuim, worden aangemerkt, hetwelk rechtspositionele gevolgen, mogelijk zelfs strafontslag, kon hebben. Bij afzonderlijke brief van eveneens 31 juli 2001 heeft gedaagde appellant uitgenodigd voor een op 20 augustus 2001 te houden verantwoordingsgesprek. Vervolgens heeft de echtgenote van appellant op 2 augustus 2001 telefonisch aan de personeelsmanagementadviseur laten weten dat appellant niet meer wil werken bij gedaagde. Daarop is haar te verstaan gegeven dat appellant niettemin contact moet opnemen om over werkhervatting te spreken. In het op 20 augustus 2001 gehouden verantwoordingsgesprek is namens appellant bevestigd dat hij niet meer wil komen werken bij gedaagde.

1.4. Bij besluit van 11 september 2001 heeft gedaagde appellant met ingang van 1 oktober 2001 ongevraagd ontslag verleend met toepassing van artikel 8.1.2, eerste lid, aanhef en onder j, van de Sectorale arbeidsvoorwaardenregelingen waterschapspersoneel. Hij heeft daartoe overwogen dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan herhaaldelijke werkweigering, hetgeen een ernstig plichtsverzuim oplevert. Appellant heeft tijdens het verantwoordingsgesprek niet kunnen verklaren waarom hij heeft nagelaten contact op te nemen met zijn leidinggevende om overleg te plegen over de wijze van werkhervatting.

Bij het bestreden besluit van 19 februari 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 september 2001 ongegrond verklaard. Voor de motivering hiervan heeft gedaagde verwezen naar het advies van de Bezwaren- commissie Rechtspositionele aangelegenheden DWR.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben naar voren gebracht overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad is met gedaagde van oordeel dat appellant zich aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Reeds begin 2001 heeft hij het oordeel van de bedrijfsarts dat hij voor 30% zijn werkzaamheden kon hervatten naast zich neergelegd. Dat hij niet wist dat hij op 9 januari 2001 door de bedrijfsarts gedeeltelijk hersteld was verklaard acht de Raad, gelet op de gedingstukken, niet aannemelijk. Gedaagde heeft toen nog volstaan met een schriftelijke waarschuwing en de mededeling van appellants echtgenote dat appellant te ziek was, aanvaard als nieuwe ziekmelding. Nadat het nadien door de bedrijfsarts eind maart 2001 gegeven oordeel dat appellant zijn werkzaamheden weer voor 50% op zich kon nemen was bevestigd door een onafhankelijke medisch deskundige heeft appellant zich ook na ontvangst van de onder 1.3. vermelde brieven van 31 juli 2001 duidelijk niet van zins getoond tot een (gedeeltelijke) hervatting van zijn werk. Dat de ontvangst van verschillende brieven op één dag bij appellant voor verwarring heeft gezorgd acht de Raad een onvoldoende excuus. Dan had het immers op zijn weg gelegen om opheldering te vragen. Nog op de hoorzitting van 6 december 2001 is namens appellant verklaard dat hij vooralsnog zijn werk niet wilde hervatten. De omstandigheid dat appellant, naar van zijn zijde ter zitting is gesteld, inmiddels anders tegen werkhervatting aankijkt, doet daaraan niet af.

3.2. Niet valt in te zien dat de werkweigering appellant niet is toe te rekenen. Weliswaar heeft hij aangevoerd indertijd depressief te zijn geweest, doch uit de stukken blijkt dat ten aanzien van appellant in 2001 geen psychische beperkingen zijn vastgesteld. Dat appellant niet in staat was voor zichzelf te zorgen en daarom zijn belangen door zijn vrouw liet behartigen, is om die reden niet aannemelijk geworden.

3.3. Gezien het vorenstaande was gedaagde bevoegd om appellant een disciplinaire straf op te leggen. Zeker nu appellant in werkweigering heeft volhard in weerwil van de omstandigheid dat medisch was komen vast te staan dat hij gedeeltelijk in staat was tot het verrichten van zijn arbeid en hij derhalve in zoverre tot die arbeid verplicht was, kan naar het oordeel van de Raad niet worden staande gehouden dat de hem opgelegde disciplinaire straf van ontslag onevenredig is ten opzichte van aard en ernst van het plichtsverzuim. Dit spreekt te meer nu appellant tevoren door gedaagde is gewaarschuwd voor een mogelijk strafontslag in geval van werkweigering.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.J.W. Loots.