Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS9727

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2005
Datum publicatie
10-03-2005
Zaaknummer
03/3763 WSF + 05/76 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering wegens meerinkomen. Is de periode van 1 januari 1995 tot en met 30 november 1995 terecht in beschouwing genomen voor de vaststelling van het toetsingsinkomen over 1995.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/3763 WSF + 05/76 WSF

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Aan appellante is studiefinanciering toegekend voor haar studie Culturele Antropologie per 1 oktober 1992. Zij heeft in november 1995 aan gedaagde gevraagd de studiefinanciering aan haar te beëindigen, welke aanvraag bij besluit van

9 december 1995 is ingewilligd per 1 december 1995, waarna geen studiefinanciering meer is toegekend.

Bij besluit van 14 december 1996 heeft gedaagde vastgesteld dat appellante in het studiejaar 1995-1996 onvoldoende studiepunten heeft behaald en dat haar om die reden ten onrechte een basisbeurs en een aanvullende beurs is toegekend over de maanden september 1995 tot en met november 1995, welke toekenning dientengevolge is omgezet in een rentedragende lening.

Bij besluit van 20 september 1999 heeft gedaagde vastgesteld dat appellante over de periode van 1 januari 1995 tot en met 30 november 1995 eigen inkomsten heeft gehad, waardoor een vordering is ontstaan van in totaal f 8.275,76, bestaande uit een meerinkomen van f 3.760,- over 1995, een (zogeheten) boete over 1995 van f 3.300,- alsmede een bedrag van f1.215,76 aan rente over de periode van 1 juli 1995 tot en met 31 december 1997.

Bij besluit van 29 december 1999, hierna: bestreden besluit 1, heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van

20 september 1999 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld.

Bij besluit van 7 maart 2001, hierna: bestreden besluit 2, heeft gedaagde, hangende de procedure bij de rechtbank ’s-Gravenhage, bestreden besluit 1 herzien en heeft zij het bezwaarschrift alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard door de hoogte van de vordering te herzien en nader vast te stellen op f 4.306,-, bestaande uit een meerinkomen van f 3.760,- en een “boete” van f 546,-, exclusief rente (te berekenen vanaf september 1999).

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft het beroep mede gericht geacht tegen bestreden besluit 2. Bij uitspraak van 13 juni 2003 heeft zij het beroep ongegrond verklaard en gedaagde bevolen het griffierecht aan appellante te vergoeden.

Appellante heeft op bij beroepschrift van 23 juli 2003 aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 5 september 2003, ingediend.

Bij schrijven van 23 december 2004 heeft gedaagde aanleiding gezien tot herziening van het terugvorderingsbedrag wegens meerinkomen in f 2.885,22. Vervolgens is bij besluit van 5 januari 2005, hierna: bestreden besluit 3, bestreden besluit 2 herzien en het bezwaarschrift alsnog gegrond verklaard wat betreft de hoogte van het meerinkomen naar aanleiding van de verwerking van de beroepskosten. De hoogte van de vordering is hierbij herzien en nader vastgesteld op een bedrag van in totaal f 3.431,22, bestaande uit een meerinkomen van f 2.885,22 en de “boete” van f 546,- onder vergoeding van de vanaf september 1999 ten onrechte in rekening gebrachte rente ad € 78,85.

Bij brief van 6 januari 2005 heeft de Raad partijen meegedeeld dat hij bij de behandeling van het hoger beroep met registratienummer 03/3763 WSF, tevens een oordeel zal geven over het nadere besluit van gedaagde van 5 januari 2005, welk geding bij de Raad is geregistreerd onder nummer 05/76 WSF.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 januari 2005, waar appellante is verschenen in aanwezigheid van haar echtgenoot, M.A.T. Linssen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. Th. Holtrop.

II. MOTIVERING

De Raad is van oordeel dat appellante geen belang meer heeft bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak en de bestreden besluiten 1 en 2 nu de grieven die zij hiertegen heeft ingebracht door de Raad in beschouwing zullen worden genomen bij de beoordeling van bestreden besluit 3. Het hoger beroep van appellante dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Met betrekking tot bestreden besluit 3 overweegt de Raad het volgende.

Gedaagde heeft bij bestreden besluit 3 op het toetsingsinkomen (vastgesteld op f 20.024,22) in mindering gebracht het maximale arbeidskostenforfait dat in 1995 f 2.139,- bedroeg. Zij heeft het meerinkomen herzien en nader vastgesteld op

f 2.885,22 (op grond van artikel 26, zesde lid, onder a, van de Wet op de studiefinanciering, hierna: WSF-oud) en daarnaast het bij bestreden besluit 2 vastgestelde bedrag aan vordering op grond van artikel 26, zesde lid, onder a, van de WSF-oud ad f 546,- gehandhaafd, hetgeen leidt tot een totale vordering van f 3.431,22. De rente over de periode vanaf september 1999, die onterecht in rekening is gebracht, wordt gerestitueerd.

Appellante heeft in hoger beroep haar grief herhaald dat ten onrechte de periode van 1 september 1995 tot en met

30 november 1995 in aanmerking is genomen voor de toepassing van artikel 26 van de WSF-oud, aangezien zij vanaf

1 september 1995 helemaal geen recht meer had op studiefinanciering omdat zij de maximale studiefinancieringsduur had verbruikt. Hierbij heeft zij gewezen op het feit dat de toekenning aan basisbeurs en aanvullende beurs over deze periode door gedaagde is omgezet in een rentedragende lening, waardoor er geen sprake (meer) is van toekenning van studie- financiering over deze periode. Over de periode van 1 januari 1995 tot 1 september 1995 is zij (bewust) onder de grens van

f 15.000,- gebleven met haar bijverdiensten, waardoor er geen sprake is van meerinkomen over het studiefinancierings- tijdvak 1995 en de gehele vordering onterecht is.

De Raad is ten eerste - onder verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank inzake artikel 26 van de WSF-oud en de jurisprudentie van het College van beroep studiefinanciering - van oordeel dat gedaagde terecht bij bestreden besluit 3, de vordering heeft herzien en nader vastgesteld op een bedrag van in totaal f 3.431,22, door, uitgaande van een toetsings- inkomen over 1995 van f 20.024,22, hierop het arbeidskostenforfait ad f 2.139,- in mindering te brengen waardoor het meerinkomen is vastgesteld op f 2.885,22. Voor wat betreft de hoogte van de vordering op grond van artikel 26, zesde lid, onder a, van de WSF-oud verwijst de Raad - wellicht ten overvloede - naar zijn jurisprudentie terzake, neergelegd in zijn uitspraken van 7 februari 2003 (LJN-nrs. AF 5192 en AF 5044).

De Raad is voorts van oordeel dat gedaagde terecht de periode van 1 september 1995 tot en met 30 november 1995 heeft betrokken bij de vaststelling van het toetsingsinkomen over het jaar 1995. Over deze periode is appellante immers studiefinanciering toegekend, hoewel de vorm bij besluit van 14 december 1996 is gewijzigd van basisbeurs en aanvullende beurs in een rentedragende lening onder toepassing van artikel 17b van de WSF-oud (niet voldaan aan de voorwaarden van de tempobeurs). Appellante voert aan dat zij over deze maanden geen toekenning van studiefinanciering wilde, aangezien zij ervan overtuigd was dat ze er geen recht op had. Zij heeft destijds echter nagelaten bezwaar te maken tegen het besluit tot toekenning van studiefinanciering over deze periode (Besluit van 17 oktober 1994) waarmee dit besluit rechtens onaantastbaar is geworden. Zij heeft in november 1995 weliswaar een verzoek tot beëindiging van de studiefinanciering ingediend, echter niet met terugwerkende kracht per 1 september 1995 maar per 1 december 1995. Bij besluit van 9 december 1995 heeft gedaagde dit verzoek gehonoreerd en is de studiefinanciering per 1 december 1995 stopgezet. Tegen dit besluit heeft appellante destijds evenmin een bezwaarschrift ingediend. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat gedaagde terecht de periode van 1 januari 1995 tot en met 30 november 1995 in beschouwing heeft genomen voor de vaststelling van het toetsingsinkomen over 1995.

Uit het bovenstaande vloeit voort dat het beroep niet kan slagen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aangezien de Raad niet is gebleken dat appellante dergelijke kosten redelijkerwijs heeft moeten maken. De Raad ziet in het herzien van het besluit van 7 maart 2001 door gedaagde wel aanleiding om met inachtneming van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb te bepalen dat gedaagde het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 5 januari 2005 ongegrond;

Bepaalt dat de Informatie Beheer Groep het in hoger beroep betaalde griffierecht ad € 87,- aan appellante dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden in tegenwoordigheid van J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.