Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS9365

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2005
Datum publicatie
10-03-2005
Zaaknummer
04/4079 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is het bezwaar van betrokkene inzake een WAO-besluit terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4079 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij schrijven van 4 maart 2003 is namens UWV USZO en de Stichting Pensioenfonds ABP aan appellant meegedeeld dat te veel uitbetaalde WAO-uitkering ten bedrage van € 15.376,05 bruto en te veel betaald invaliditeitspensioen ten bedrage van

€ 368,60 bruto van hem wordt teruggevorderd.

Appellant heeft eerst telefonisch om opheldering gevraagd en vervolgens schriftelijk bezwaar gemaakt, en wel bij brief van

6 mei 2003.

Bij besluit van 19 juni 2003 heeft gedaagde het bezwaar van appellant, voor zover dit de WAO betreft, niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

De directieraad van de Stichting Pensioenfonds ABP heeft het bezwaar van appellant, voor zover dit het invaliditeitspensioen betreft, bij beslissing van 10 november 2003 gegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juni 2004, reg.nr. 03/1043 WAO, heeft de rechtbank Zutphen het beroep van appellant tegen het besluit van 19 juni 2003 ongegrond verklaard.

Tegen die uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld op door zijn gemachtigde mr. S.F.M. Oomen, advocaat te Apeldoorn, bij aanvullend beroepschrift d.d. 4 oktober 2004 aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 15 oktober 2004.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 januari 2005, waar voor appellant is verschenen

mr. Oomen, voornoemd. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

II. MOTIVERING

Namens appellant is in hoger beroep als beroepsgrond aangevoerd dat de rechtbank aan het feit dat het Uwv, blijkens de beslissing op bezwaar van 10 november 2003, het bezwaarschrift van appellant voor zover dit betrekking heeft op het invaliditeitspensioen wel ontvankelijk heeft geacht, ten onrechte niet de consequentie heeft verbonden dat het bezwaarschrift voor zover dit de WAO betreft evenzeer ontvankelijk had moeten worden verklaard.

Deze grief treft geen doel.

Het is op het eerste gezicht curieus dat een en dezelfde daartoe gemandateerde Uwv-functionaris bij de afhandeling van een en hetzelfde bezwaarschrift, gericht tegen een tweetal bij een en dezelfde brief meegedeelde terugvorderingsbeslissingen, waarbij dezelfde - duidelijk in het schrijven van 4 maart 2003 vermelde - bezwaartermijn geldt, twee fundamenteel verschillende beslissingen op bezwaar het licht doet zien, maar dat neemt niet weg dat gedaagde in het kader van de toepassing van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet gebonden is aan een door of namens de directieraad van de Stichting Pensioenfonds ABP in het kader van de toepassing van het pensioenreglement genomen beslissing, waarbij aan de overschrijding van de bezwaartermijn geen gevolgen zijn verbonden.

De Raad ziet ook anderszins geen grond om de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden. Die uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.