Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS8564

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2005
Datum publicatie
03-03-2005
Zaaknummer
03/4007 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is betrokkene (brandweerman) terecht eervol ontslag verleend uit zijn functie wegens het bereikt hebben van de leeftijd van 55 jaar?

Wetsverwijzingen
Grondwet 1
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26
Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2005/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/4007 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 juli 2003, nr. 02/2090 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 6 januari 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. C.I.M. Molenaar, advocaat te Volendam. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.B. Bos, advocaat te Zwolle, en G. Olsder, werkzaam bij de gemeente Barneveld. Voorts is ter zitting op verzoek van appellant als deskundige gehoord prof. dr. M.H.W. Frings-Dresen, hoogleraar Beroepsziekten, verbonden aan het Coronel Instituut voor Arbeid, Milieu en Gezondheid te Amsterdam.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Ingevolge het eerste lid van artikel 60 van de Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer van de gemeente Barneveld (hierna: de verordening) verlenen burgemeester en wethouders de vrijwilliger ongevraagd eervol ontslag op grond van het bereikt hebben van de 55-jarige leeftijd indien de vrijwilliger een rang heeft tot en met onderbrandmeester en op grond van het bereikt hebben van de 60-jarige leeftijd indien de vrijwilliger een rang heeft van brandmeester of hoger. Dit ontslag gaat in op de eerstvolgende datum van 1 april volgende op die waarop de leeftijd van 55 jaar respectievelijk 60 jaar is bereikt.

In het tweede lid van genoemd artikel is bepaald dat de ingangsdatum van het in het eerste lid bedoelde ontslag ten hoogste vijf maal telkens met een periode van één jaar kan worden opgeschort, indien zulks door burgemeester en wethouders in het belang van de dienst wordt geacht en:

a. de vrijwilliger zulks heeft verzocht of daarmede instemt en

b. de vrijwilliger blijkens het ingewonnen advies van een door burgemeester en wethouders aangewezen geneeskundige, lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht zijn werkzaamheden te blijven verrichten.

1.2. Appellant was sedert 1975 als vrijwilliger, vanaf 1978 in de functie van hoofdbrandwacht, werkzaam bij de brandweer van de gemeente Barneveld, afdeling [naam afdeling].

Bij besluit van 15 maart 2002 heeft gedaagde appellant, geboren op [in] 1946, met ingang van 1 april 2002 eervol ontslag verleend uit deze functie wegens het bereikt hebben van de leeftijd van 55 jaar, zulks met toepassing van het eerste lid van artikel 60 van de verordening.

Bij het bestreden besluit van 7 augustus 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 maart 2002 in overeenstemming met het ter zake uitgebrachte advies van de Bezwarencommissie personeelsaangelegenheden ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard voorzover dit zag op het ontslag, en niet-ontvankelijk verklaard voorzover dit zag op de volgens de rechtbank eveneens in het besluit van 7 augustus 2002 vervatte primaire weigering van gedaagde om het ontslag met toepassing van artikel 60, tweede lid, van de verordening op te schorten; ten aanzien van dit laatste gedeelte van het beroep heeft de rechtbank bepaald dat dit door gedaagde als bezwaarschrift in behandeling wordt genomen.

3. Appellant stelt zich ook in hoger beroep op het standpunt dat het eerste lid van artikel 60 van de verordening, waarop zijn ontslag is gebaseerd, onverbindend is wegens strijd met het verbod naar leeftijd te discrimineren, als neergelegd in artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Appellant heeft zich in dit verband tevens beroepen op de Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep - hierna: de Richtlijn - , alsmede de ter uitvoering van deze Richtlijn dienende Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid, Stb. 2004, 30 (hierna: WGBLA). Volgens appellant bestaat er geen medische noodzaak om personen vanaf 55 jaar uit te sluiten van het verrichten van werkzaamheden bij de brandweer, als door hem uitgeoefend.

3.1. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant in hoger beroep onder meer overgelegd een vanwege het Coronel Instituut voor Arbeid, Milieu en Gezondheid in oktober 2004 opgesteld rapport “Brandweeronderzoek - De gezondheidskundige onderbouwing van (vervroegde) uitdiensttreding op basis van leeftijd bij brandweer-personeel”. In dit rapport is onder andere als conclusie opgenomen - vide p. 104 - dat “beneden de leeftijd van 60 jaar geen kalenderleeftijdsgrens kan worden aangewezen waarop de specifieke taakeisen zoals uitgevoerd door repressief brandweerpersoneel collectief niet meer op verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd. Dit komt voornamelijk door de grote variatie in biologische leeftijd tussen individuen. Een verhoogd risico op gezondheidsklachten is echter al aanwezig onder het 45e levensjaar.”

3.2. Mede gelet op deze conclusies is appellant van mening dat het hanteren van een leeftijdsgrens van 55 jaar geen passend en noodzakelijk middel is om onaanvaardbare gezondheidsrisico’s voor brandweermannen bij de uitoefening van hun actieve dienst in de repressieve brandbestrijding tegen te gaan. In plaats daarvan zou boven een bepaalde leeftijdscategorie door middel van het regelmatig testen van individuele brandweer-mannen dienen te worden vastgesteld of uitoefening van de actieve dienst uit een oogpunt van gezondheid nog verantwoord is te achten. Uit het bepaalde in artikel 60, tweede lid, onder b, van de verordening leidt appellant af dat tests als door hem bedoeld ook voorhanden zijn.

4. Gedaagde heeft naar voren gebracht dat het doel van de in geding zijnde leeftijdsgrens is gelegen in het waarborgen van de veiligheid en gezondheid van de betrokken brandweermannen alsook hun collega’s en derden die op hun hulp zijn aangewezen. Het stellen van de leeftijdsgrens van 55 jaar acht gedaagde een passend en proportioneel middel om dit doel te bereiken, omdat de repressieve brandbestrijdingstaken hoge fysieke eisen stellen en bekend is dat de gezondheid en krachten bij het vorderen der jaren in het algemeen afnemen. Een minder ver gaande maatregel is niet mogelijk omdat nog steeds geen adequate test bestaat om het individuele risico voor brandweermannen vast te stellen. Voor zijn standpunt heeft gedaagde zich met name beroepen op een brief van de Gemeenschappelijke gezondheidsdienst West-Veluwe/Vallei van 9 april 1992 en het rapport “In goede banen” dat in oktober 2002 in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is opgesteld door het Platform Opleiding, Onderwijs en Organisatie (PLATO) van de Universiteit van Leiden.

4.1. Met betrekking tot hetgeen appellant heeft gemeend te kunnen afleiden uit het bepaalde in het tweede lid, onder b, van artikel 60 van de verordening heeft gedaagde te kennen gegeven dat van de door dit lid gegeven mogelijkheid slechts gebruik wordt gemaakt indien onvoldoende personen van jonger dan 55 jaar beschikbaar zijn voor de repressieve brandweerdienst. Aangezien immer voldoende brandweerpersoneel beschikbaar dient te zijn, wordt het alsdan in het belang van de dienst geacht om personen boven de onderhavige leeftijdsgrens bij de brandweer te handhaven. In dat geval wordt ook een medische test uitgevoerd om de eventuele risico’s voor de veiligheid en de gezondheid van de betrokkene nog zo goed mogelijk te bepalen.

5. De Raad overweegt dat het hier aan de orde zijnde verplichte ontslag nadat de leeftijd van 55 jaar is bereikt een onderscheid naar leeftijd oplevert dat strijdig kan zijn met artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het IVBPR in welke artikelen discriminatie, op welke grond dan ook is verboden. Dit brengt mee dat beoordeeld moet worden of voor dit onderscheid een redelijke en objectieve rechtvaardiging kan worden aangewezen. Nu het hier niet gaat om een bij voorbaat verdacht onderscheid zoals wel het geval is met de in artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het IVBPR benoemde differentiatiecriteria als bijvoorbeeld ras of geslacht, dient te worden nagegaan of voor het gemaakte onder-scheid een legitiem doel bestaat, of het onderscheid voor het bereiken van dit doel passend is en of het geboden is.

5.1. Overgaande tot de beoordeling van het voorliggende geschil in de hiervoor aangegeven zin, stelt de Raad allereerst vast dat aan de door appellant gewraakte bepaling van de verordening, welke is gericht op oudere brandweermannen, een legitiem doel, te weten de waarborging van de veiligheid en de gezondheid van de door gedaagde genoemde personen als onder 4 vermeld, ten grondslag ligt.

5.2. Vervolgens overweegt de Raad dat uit de stukken naar voren komt dat, naar ook niet door appellant wordt betwist, het beroep van brandweerman, belast met repressieve brandbestrijding, als zwaar moet worden gekenschetst. Zowel de fysieke als de psychische en mentale belasting is in dit beroep aanmerkelijk. Voorts kan als algemeen bekend gegeven gelden dat de (medische) belastbaarheid met het klimmen der jaren afneemt.

5.3. De voor ontslag gebezigde leeftijdsgrens van 55 jaar als middel ter bereiking van voormeld doel gaat terug op indertijd gevoerd landelijk overleg waarbij ook organisaties van werkgevers en werknemers waren betrokken. Deze leeftijdsgrens wordt nog steeds in landelijke en gemeentelijke regelingen algemeen gehanteerd en kon maatschappelijk op een breed draagvlak rekenen. Niet is gebleken dat daarin ten tijde van het nemen van het bestreden besluit (al) verandering was gekomen.

5.4. Uit de door partijen overgelegde rapporten blijkt dat zeker niet voor elke brandweerman als eerder bedoeld van ouder dan 55 jaar opgaat dat hij niet meer opgewassen is te achten tegen zijn repressieve taken. Tussen afzonderlijke personen kunnen in dit opzicht aanmerkelijke verschillen bestaan. Dit betekent dat een ontslagregeling die is geënt op een individuele beoordeling van de medische geschiktheid van betrokkenen op zichzelf de voorkeur verdient boven het in de verordening neergelegde systeem en uit een oogpunt van voorkoming van leeftijdsdiscriminatie zelfs aangewezen is indien geschikte testmethoden voorhanden zijn.

5.5. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat uit de stukken, met name het rapport van het Coronel Instituut, alsmede het ter zitting verhandelde is gebleken dat een adequate test ter beoordeling van de medische geschiktheid van een brandweerman in de Nederlandse omstandigheden nog niet is ontwikkeld. Voor de ontwikkeling van een zodanige test zijn inmiddels wel aanbevelingen gedaan, maar voor de realisering daarvan is nog tijd nodig.

5.6. De Raad stelt voorts vast dat appellant aan de door hem genoemde EG-Richtlijn 2000/78 ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog geen (rechtstreekse) aanspraken kon ontlenen, omdat deze eerst op 2 december 2003 behoefde te zijn geïmplementeerd en dat hij zich ten tijde van zijn ontslag evenmin met succes kon beroepen op de ter uitvoering van de Richtlijn tot stand gebrachte - op 1 mei 2004 in werking getreden - WGBLA, nog daargelaten de in die wet voorkomende overgangsbepaling.

5.7. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het door gedaagde gehanteerde middel, de generieke leeftijdsgrens, nog als passend en noodzakelijk kon worden beschouwd ter verwezenlijking van het onder 5.1. aangegeven doel.

5.8. Ten aanzien van de grief van gedaagde dat de rechtbank het beroep van appellant ten onrechte ten dele niet-ontvankelijk heeft verklaard, overweegt de Raad dat gedaagde ter zake geen hoger beroep heeft ingesteld en dat dit aspect valt buiten het onderwerp van het hoger beroep van appellant zodat aan deze grief voorbij dient te worden gegaan.

5.9. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

07.02

Q