Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS8553

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2005
Datum publicatie
03-03-2005
Zaaknummer
03/2043 MAW en 03/2122 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zijn de verzoeken om met toepassing van artikel 28 van het Verplaatsingskostenbesluit militairen in aanmerking te komen voor restitutie van de door betrokkenen eventueel te betalen invoerrechten ter zake van de invoer van personenauto's bij uitzending naar de Nederlandse Antillen terecht geweigerd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/2043 MAW en 03/2122 MAW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant I], wonende te [woonplaats] (Curaçao, Nederlandse Antillen), appellant I,

[appellant II], wonende te [woonplaats] (Curaçao, Nederlandse Antillen), appellant II,

en

de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellant I is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Gravenhage op 24 maart 2003, onder nr. AWB 02/2627 MAWKMA, tussen appellant I en de directeur personeel Koninklijke Marine gegeven uitspraak (hierna: uitspraak 1), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens appellant II is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Gravenhage op 24 maart 2003, onder nr. AWB 02/2985 MAWKMA, tussen appellant II en de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten gegeven uitspraak (hierna: uitspraak 2), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft met betrekking tot beide gedingen een verweerschrift ingediend.

De directeur personeel Koninklijke Marine heeft op een schrijven van de Raad gereageerd.

Zowel namens appellant I als namens appellant II is op het verweer van gedaagde gereageerd.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 13 januari 2005, waar voor appellant I is verschenen mr. O.W. Borgeld, juridisch adviseur te Bentveld, en waar appellant II in persoon is verschenen, bijgestaan door J.G. de Werker-Bekx, juridisch adviseur bij de VBM/NOV te ’s-Gravenhage. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.A.D. Berkhuizen, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant I, die als commandant bij “Hato-militair” te Willemstad, Curaçao, is geplaatst, heeft op 11 januari 2002 verzocht om met toepassing van artikel 28 van het Verplaatsingskostenbesluit militairen in aanmerking te komen voor restitutie van de door hem eventueel te betalen invoerrechten ter zake van de invoer van zijn personenauto bij uitzending naar de Nederlandse Antillen op 22 juni 2002. Dit verzoek is door de directeur personeel Koninklijke Marine bij besluit van 6 maart 2002 afgewezen onder verwijzing naar het beleid van de Koninklijke Marine inzake de vergoeding van deze kosten. Bij het bestreden besluit van de directeur personeel Koninklijke Marine van 11 juni 2002 (hierna: besluit 1) is de afwijzing na gemaakt bezwaar gehandhaafd.

1.2. Appellant II, die als vliegveiligheidsofficier bij “Hato-militair” te Willemstad, Curaçao, is geplaatst, heeft op 15 januari 2002 verzocht om in aanmerking te komen voor restitutie van de door hem eventueel te betalen invoerrechten ter zake van de invoer van zijn personenauto bij uitzending naar de Nederlandse Antillen. Dit verzoek is door de directeur personeel Koninklijke Marine bij besluit van 5 februari 2002 afgewezen onder verwijzing naar het beleid van de Koninklijke Marine inzake de vergoeding van deze kosten. Bij het namens gedaagde genomen bestreden besluit van de directeur personeel Koninklijke Marine van 4 juli 2002 (hierna: besluit 2) is de afwijzing na gemaakt bezwaar gehandhaafd.

2. Bij de in rubriek I aangeduide aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.

3. Ten aanzien van de bevoegdheid om op de verzoeken van appellanten te beslissen overweegt de Raad het volgende.

3.1. Het Verplaatsingskostenbesluit militairen (Stb. 1991, 412), hierna: VKBM, is een algemene maatregel van bestuur die tot stand is gekomen ter uitvoering van artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931. Artikel 1, aanhef en onder f, van het VKBM definieert het bevoegd gezag als de bij ministeriële regeling aan te wijzen functionarissen. Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verplaatsingskostenregeling militairen (hierna: VKRM) dient in dit geval de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten als het bevoegde gezag, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder f, van het VKBM, te worden aangemerkt. Derhalve was gedaagde bevoegd te beslissen op de verzoeken van appellanten om toepassing te geven aan artikel 28 van het VKBM. Het bepaalde in de Bevoegdhedenregeling verplaatsingskosten en woon- werkverkeer zeemacht kan hieraan niet afdoen, nu deze Bevoegdhedenregeling door de directeur personeel Koninklijke Marine zelf is vastgesteld.

Voorzover namens gedaagde is beslist door de directeur personeel Koninklijke Marine, is daarbij - zoals ter zitting namens gedaagde toegelicht - vooruitgelopen op het mandaat dat eerst later is geformaliseerd bij het Mandaatbesluit BDZ personele bevoegdheden VKBM, waarbij aan de directeur personeel Koninklijke Marine mandaat is verleend om de personele bevoegdheden, genoemd in het VKBM en de VKRM, namens de bevel-hebber uit te oefenen.

3.2. Gezien het bovenstaande stelt de Raad vast dat besluit 1 onbevoegd op eigen naam is genomen door de directeur personeel Koninklijke Marine, zodat de Raad dat besluit zal vernietigen, evenals uitspraak 1. Nu gedaagde het besluit voor zijn rekening heeft genomen, ziet de Raad echter aanleiding om na te gaan of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand gelaten kunnen worden. Om reden van het aan het slot van 3.1. vermelde mandaatsgebrek zal de Raad eveneens besluit 2 en uitspraak 2 vernietigen en, gezien het inmiddels tot stand gekomen Mandaatbesluit BDZ, nagaan of ook de rechtsgevolgen van besluit 2 in stand kunnen worden gelaten.

4. Namens appellant I is aangevoerd dat het Adviesorgaan bestuursrechtelijke geschillen Koninklijke Marine het verweerschrift namens gedaagde niet in behandeling had mogen nemen wegens overschrijding van de in artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) genoemde termijn om nadere stukken voorafgaande aan de hoorzitting in te dienen. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad (zie de uitspraak van 28 mei 2002, LJN AE4906) overweegt de Raad dat de rechtbank op goede gronden deze grief heeft verworpen, nu sprake is van een termijn van orde en niet is gebleken dat appellant door deze termijnoverschrijding in zijn belangen is geschaad. Hieraan voegt de Raad toe dat de uitspraken waarnaar gemachtigde van appellant I ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verwezen, de overschrijding van de termijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb betreffen, hetgeen - in tegenstelling tot de termijn van artikel 7:4 van de Awb - een termijn is waarvan de overschrijding in beginsel tot niet-ontvankelijkverklaring leidt.

5. Appellanten hebben voorafgaande aan hun uitzending naar Curaçao verzocht om met toepassing van artikel 28 van het VKBM in aanmerking te komen voor vergoeding van de invoerrechten ter zake van hun nog aan te schaffen personenauto, aangezien de douane op de Nederlandse Antillen invoerrechten in rekening brengt bij invoer van een personenauto die nog niet zes maanden op naam van de eigenaar staat. Zij hebben het verzoek gemotiveerd door erop te wijzen dat in dit geval, anders dan gebruikelijk is, de aanzegging dermate kort voorafgaande aan de uitzending heeft plaatsgevonden dat als gevolg van dit handelen van gedaagde het niet mogelijk is geweest om zo tijdig een nieuwe auto aan te schaffen dat geen invoerrechten verschuldigd zijn.

5.1. De Raad stelt vast dat niet in geding is dat het VKBM geen regeling bevat inzake een tegemoetkoming in of vergoeding van de invoerrechten van een auto en dat een aanspraak op een vergoeding als door appellanten verzocht ook niet kan worden ontleend aan enig ander algemeen verbindend voorschrift, zodat een eventuele vergoeding slechts verleend kan worden door middel van toepassing van de hardheidsclausule neergelegd in artikel 28 van het VKBM.

De Raad verwerpt de grief van appellanten dat gedaagde het verzoek niet aan dit artikel zou hebben getoetst. Hiertoe overweegt de Raad dat in de primaire besluiten impliciet aan deze hardheidsbepaling is getoetst, nu het daarin genoemde beleid inzake invoerrechten alleen maar betrekking kan hebben op toepassing van artikel 28, en dat in ieder geval in de bestreden besluiten expliciet aan dit artikel is getoetst.

5.2. Inzake het gehanteerde beleid heeft gedaagde gesteld dat de invoerrechten van een auto alleen door gedaagde vergoed worden indien de militair deze kosten redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien. In het geval dat de auto pas wordt aangeschaft nadat de overplaatsing aan de militair is medegedeeld, komen de invoerrechten derhalve in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking. Met de rechtbank acht de Raad dit beleid niet buiten redelijkheidsgrenzen.

Aan de gestelde voorwaarden is niet voldaan, nu appellanten hun nieuwe personenauto’s eerst hebben aangeschaft nadat de aanzegging van de uitzending had plaatsgevonden.

5.3. Met betrekking tot de (bijzondere) omstandigheden waarop appellanten zich beroepen, te weten dat ze wel genoodzaakt waren een nieuwe auto in Nederland aan te schaffen voor Curaçao, omdat, mede gezien de adviezen van autodealers, hun oude auto’s niet geschikt zouden zijn voor Curaçao en omdat de Koninklijke Marine zelf uit te zenden militairen zou afraden op Curaçao een tweedehands auto te kopen, oordeelt de Raad dat deze niet tot afwijking van het beleid noopten, nu appellanten er ook voor hadden kunnen kiezen op Curaçao een auto te kopen - waarbij ze aanspraak op een tegemoetkoming op grond van artikel 15, tweede lid, aanhef en onder h, van het VKBM zouden hebben gemaakt - dan wel geen nieuwe te kopen en hun oude auto mee te nemen. Dat de keuze voor een in Nederland aangeschafte personenauto voor appellanten bepaalde voordelen met zich mee bracht, doet hieraan niet af. Een algemeen en niet persoonlijk aan appellanten gericht advies van de Koninklijke Marine als hierboven bedoeld kan voorts niet als toezegging van het bevoegd gezag worden opgevat dat de eventuele invoerrechten vergoed zullen worden.

De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verplichting tot betaling van invoerrechten als gevolg van de aanschaf van een nieuwe personenauto kort voor uitzending naar Curaçao in de onderhavige gevallen voor eigen risico van appellanten diende te blijven.

6. Met betrekking tot het beroep van appellanten op het gelijkheidsbeginsel overweegt de Raad het volgende.

6.1. Ter zitting is naar voren gekomen dat appellanten, hoewel zij wisten dat de douane te Curaçao invoerrechten zou heffen, ervoor hebben gekozen om voorafgaande aan de uitzending een nieuwe auto aan te schaffen, omdat zij bekend waren met een vergoeding door gedaagde van de invoerrechten bij een eerdere uitzending van een viertal militairen. Ten aanzien van deze vergoeding heeft gedaagde gesteld dat zij ten onrechte is verleend. De Raad overweegt dat er geen aanknopingspunten zijn om de stelling van gedaagde dat het om een fout gaat voor onjuist te houden. Volgens vaste jurisprudentie is het bestuursorgaan niet op grond van het gelijkheidsbeginsel gehouden om onjuiste beslissingen te herhalen, zodat in zoverre het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

6.2. Met betrekking tot de honorering van het verzoek van de uitgezonden arts K. om een tegemoetkoming in de door hem betaalde invoerrechten, overweegt de Raad dat daarbij sprake was van een wezenlijk verschil met appellanten omdat K. - vanwege de bijzondere omstandigheden rond zijn uitzending - de uitdrukkelijke toezegging had verkregen dat hem een tegemoetkoming zou worden toegekend.

7. Gelet op het vorenoverwogene kunnen de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten 1 en 2 geheel in stand blijven.

8. De Raad acht op grond van het vorenstaande termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van ieder der appellanten in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand, in totaal derhalve

€ 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;

Verklaart het beroep van appellanten gegrond en vernietigt de bestreden besluiten 1 en 2;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten geheel in stand blijven;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van ieder der appellanten tot een bedrag van in totaal € 1.288,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan ieder der appellanten het door hen in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 284,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

24.02