Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS8540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2005
Datum publicatie
03-03-2005
Zaaknummer
03/877 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde WW-uitkering wegens verkregen inkomsten uit arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/877 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 27 januari 2003 onder nummer 02/217 WW tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat te Nijmegen, een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 december 2004, waar voor appellant is verschenen mr. J.H. Nuijens, terwijl gedaagde, zoals tevoren bericht, niet is verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

Bij besluit van 6 april 2001 heeft appellant gedaagdes recht op een kortdurende uitkering krachtens de WW, met ingang van 2 december 1996 toegekend naar een gemiddeld aantal arbeidsuren per week van 38, gedeeltelijk herzien, omdat gedaagde naar zijn mening in de uitkeringsperiode, die liep van december 1996 tot en met mei 1997, werkzaamheden heeft verricht waarvan hij geen melding heeft gemaakt op de werkbriefjes. Appellant heeft dit besluit gebaseerd op het rapport werknemersfraude van zijn Opsporingsdienst Regio Oost van 17 november 2000, waarin was geconcludeerd dat gedaagde in de uitkeringsperiode elke week twee tot drie dagen (inclusief overnachtingen) ten behoeve van de onderneming S&P Advies en Bemiddeling te Nijmegen (hierna: S&P) in Duitsland werkzaam was. De werkzaamheden bestonden uit het innen van rekeningen bij Duitse opdrachtgevers om met dat geld vervolgens de Engelse werknemers die door bemiddeling van S&P te werk waren gesteld op bouwprojecten in Duitsland te betalen, en de winst af te dragen aan S&P. Het met deze werkzaamheden gemoeide tijdsbeslag werd geschat op gemiddeld tenminste 20 uur per week. In voornoemd rapport werd verder geconcludeerd dat gedaagde voor zijn werkzaamheden inkomsten genoot in de vorm van zogenoemde consultancy fees.

Bij besluit van 12 april 2001 heeft appellant een bedrag van bruto f 5.734,54

(€ 2.602,22) aan onverschuldigd betaalde uitkering teruggevorderd van gedaagde.

Appellant heeft de besluiten van 6 april 2001 en 12 april 2001, na daartegen gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 19 december 2001.

Gedaagde heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Daarbij heeft hij, behalve met betrekking tot de maanden december van 1996 en januari van 1997, niet bestreden dat hij in genoemde periode werkzaamheden heeft verricht welke hij niet heeft opgegeven. Wel heeft gedaagde betwist dat hij gemiddeld 20 uur per week werkzaam is geweest.

De rechtbank achtte de door appellant vastgestelde gemiddelde werkweek van 20 uur niet onaannemelijk. Voor zover gedaagde had aangevoerd dat hij in de genoemde wintermaanden geen werkzaamheden had verricht omdat toen niet werd gewerkt in de bouw ten gevolge van strenge vorst achtte de rechtbank dit voor de maand januari 1997, mede gelet op het feit dat niet was gebleken dat over die maand consultancy fees aan gedaagde waren betaald, niet onaannemelijk. Gelet hierop heeft de rechtbank gedaagdes beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak en het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van gedaagde en van het griffierecht.

Het door appellant ingestelde hoger beroep is beperkt tot het oordeel van de rechtbank over de maand januari 1997. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank de zijns inziens niet deugdelijk onderbouwde stelling van gedaagde dat in januari 1997 niet werd gewerkt in de bouw ten onrechte heeft overgenomen. Dat januari 1997 een koude maand was rechtvaardigt volgens appellant niet de aanname dat die gehele maand in het geheel niet werd gewerkt op de bouwprojecten waar door bemiddeling van S&P Engelse werknemers werkten, nu dat mede zal hebben afgehangen van de aard van die projecten en het stadium waarin die verkeerden. Appellant leidt, anders dan de rechtbank, uit de stukken voorts af dat gedaagde over de maand januari 1997 wel consultancy fees heeft ontvangen. Daaruit blijkt naar zijn mening dat gedaagde ook in die maand gedurende gemiddeld 20 uur per week werkzaamheden heeft verricht voor S&P. Appellant heeft tenslotte betoogd dat de rechtbank ten onrechte het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de WW niet in haar oordeelsvorming heeft betrokken.

De Raad volgt appellant in zijn stelling, dat de rechtbank haar oordeel dat aannemelijk is dat in januari 1997 in het geheel niet werd gewerkt in de bouw niet had mogen baseren op de enkele stelling van gedaagde dat zich in die periode strenge vorst heeft voorgedaan. Met appellant is de Raad van oordeel dat de mogelijkheid om bij vorst te werken in de bouw afhankelijk is van het project en van de fase waarin de bouw zich bevindt. Daaromtrent bevat het dossier geen gegevens en ook anderszins is door gedaagde niet aannemelijk gemaakt dat hij in januari 1997 niet gedurende gemiddeld 20 uur per week heeft gewerkt voor S&P. Het dossier bevat wel aanwijzingen voor het tegendeel, te weten stukken die erop duiden dat aan gedaagde betalingen zijn gedaan over de maand januari 1997. Die stukken zijn weliswaar niet ondertekend, maar dat levert onvoldoende grond op om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud ervan, nu gedaagde zelf tegenover de opsporingsambtenaar heeft verklaard dat, gelet op de gang van zaken bij S&P, aan een handtekening op zich geen betekenis kan worden toegekend. Daar komt bij dat de evenmin ondertekende stukken met betrekking tot betalingen over december 1996 door gedaagde niet zijn betwist.

Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot het oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit is vernietigd, moet dan ook worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep van gedaagde ongegrond verklaren.

De Raad ziet geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005.

(get.) H. Bolt

(get.) L. Karssenberg

FB/28/1