Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS8479

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
02-03-2005
Zaaknummer
03/3326 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering omdat betrokkene op de datum in geding niet voldoet aan de in artikel 17 van de WW vermelde referte-eis dat in 39 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag in ten minste 26 weken als werknemer is gewerkt.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2005/122

Uitspraak

03/3326 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 mei 2003, nr. AWB 02/2051 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Door gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 december 2004, waar voor appellante is verschenen haar gemachtigde, mr. M. de Miranda, advocaat te Amsterdam, en waar gedaagde niet is verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreide weergave van de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daarover in de aangevallen uitspraak in rubriek 2 is vermeld. De Raad beperkt zich ter zake tot het volgende.

Appellante is op 1 mei 2000 wegens knieklachten uitgevallen voor haar werk van parttime kwekerijmedewerkster voor 24 uur per week. Per 29 april 2001 is zij ongeschikt geacht voor haar eigen werk en geschikt geacht voor passende arbeid. Met ingang van 30 april 2001 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, en is haar arbeidsovereenkomst beëindigd. Op 29 oktober 2001 heeft zij bij gedaagde een WW-uitkering aangevraagd.

Bij besluit van 22 november 2001 heeft gedaagde bepaald dat aan appellante met ingang van 29 oktober 2001 geen WW-uitkering kan worden toegekend omdat zij op die datum niet voldoet aan de in artikel 17 van de WW vermelde referte-eis dat in 39 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag in ten minste 26 weken als werknemer is gewerkt.

Bij het thans bestreden besluit van 5 april 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen voormeld besluit ongegrond verklaard, onder verwerping van haar standpunt dat zij reeds met ingang van 30 april 2001 beschikbaar was voor arbeid en derhalve werkloos is geworden als bedoeld in artikel 16 van de WW. Gedaagde heeft in het bestreden besluit vermeld van mening te zijn dat appellante gedurende de periode van 30 april 2001 tot en met 28 oktober 2001 niet beschikbaar is geweest om arbeid te verrichten en heeft erop gewezen dat appellante op het aanvraagformulier heeft aangegeven (eerst) met ingang van 29 oktober 2001 een WW-uitkering te willen aanvragen.

Het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij voormelde uitspraak van de rechtbank ongegrond verklaard.

De Raad overweegt het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil dat, indien wordt uitgegaan van 30 april 2001 als eerste dag van werkloosheid, appellante voldoet aan voormelde referte-eis van artikel 17 van de WW.

Met betrekking tot de partijen verdeeld houdende vraag of appellante per die datum beschikbaar was om arbeid te aanvaarden als bedoeld in artikel 16, lid 1, onder b, van de WW, overweegt de Raad het volgende.

Zoals de Raad reeds meerdere malen heeft overwogen (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 20 november 2002, LJN AG0094 RSV 2003/5) geeft het begrip "beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden" in de zin van artikel 16, eerste lid, onder b, van de WW een feitelijke toestand weer waarin de werknemer verkeert. Dit impliceert dat de vraag of een werknemer al dan niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, waaronder ook houding en gedrag van de betrokkene, zal moeten worden beantwoord. Indien er overigens geen feiten en omstandigheden vallen aan te wijzen waaruit zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat een werknemer niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden en het uitvoeringsorgaan desondanks op grond van houding en gedrag van de betrokken werknemer tot een niet beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden wenst te concluderen, zal in zo'n geval moeten vaststaan dat de betrokken werknemer door houding en gedrag ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven, althans doen blijken dat hij of zij zich niet voor arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar stelt.

De Raad stelt in dat verband vast dat appellante weliswaar op de dag waarop zij haar arbeidsuren alsmede het recht op onverminderde loondoorbetaling had verloren in de veronderstelling verkeerde dat zij te ziek was om haar eigen arbeid te verrichten, maar is van mening dat deze veronderstelling haar niet kan worden tegengeworpen in die zin dat zij in het geheel niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. De Raad wijst er op dat appellante op 30 april 2001 nog niet bekend was met het oordeel van gedaagde over de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum.

De Raad wijst er verder op dat appellante pas op 15 juni 2001 in een gesprek met de arbeidsdeskundige voor het eerst is geïnformeerd over het feit dat zij op zogenoemde datum einde wachttijd, 30 april 2001, ongeschikt wordt geacht voor het laatstelijk door haar verrichte werk, dat zij geschikt wordt geacht voor passende functies en dat zij in het kader van de WAO 15 tot 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Uit de ter zake van voormeld gesprek opgemaakte arbeidskundige rapportage d.d. 28 juni 2001 blijkt dat appellante toen heeft aangegeven zich geschikt en gemotiveerd te achten voor andere passende werkzaamheden en dat zij hoopt bij het zoeken van werk te worden ondersteund door Relan Werk. Tevens is vermeld dat appellante als werkzoekende wordt ingeschreven bij het Servicecentrum Reïntegratie Zeist.

Mede gelet op het feit dat appellante zich blijkens de stukken met ingang van 20 juni 2001 als werkzoekende bij het Arbeidsbureau heeft laten inschrijven, is de Raad van oordeel dat niet ondubbelzinnig vaststaat dat appellante, vanaf het moment dat zij bekend was met het feit dat zij geschikt werd geacht om passende arbeid te verrichten, door houding en gedrag ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven, althans heeft doen blijken dat zij zich niet voor arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar stelt als bedoeld in de hiervoor aangehaalde jurisprudentie.

De Raad merkt nog op dat, gelet op de datum in geding 30 april 2001, het feit dat appellante van 17 juli 2001 tot en met 17 oktober 2001 voor een medische behandeling in Ghana verbleef, aan het vorenstaande niet af kan doen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor kosten van verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 644,-- voor diezelfde kosten in hoger beroep, in totaal € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde recht van € 116,-- (€ 29,-- + € 87,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) A. de Gooijer.

RW/15/2