Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS8452

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2005
Datum publicatie
02-03-2005
Zaaknummer
03/2019 WAO + 4973 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAO-uitkering. Maatmaninkomen. Beperkingen en belastbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/2019 WAO + 4973 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 april 2003, nummer WAO 02/1759-STU, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 30 november 2004, waar appellante is verschenen bij gemachtigde mr. De Jonge, en waar namens gedaagde, zoals tevoren was bericht, niemand is verschenen.

II. MOTIVERING

Appellante heeft in verband met bij haar bestaande klachten van de rechter schouder verzocht haar een uitkering ingevolge Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.

In verband daarmee is appellante op 2 november 1999 onderzocht door de verzekerings-arts C. Weerdenburg, die ook inlichtingen bij de huisarts R. Veldkamp heeft ingewonnen. De verzekeringsarts Weerdenburg heeft vastgesteld dat er bij appellante sprake was van een oude schouderluxatie en heeft beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid aangegeven in verband met een beperkte belastbaarheid van de rechter arm en schouder.

Uitgaande van die beperkte belastbaarheid heeft de arbeidsdeskundige L.I.M. Roose voor appellante functies die zij nog zou kunnen vervullen, geselecteerd met behulp van het Functie Informatie Systeem (FIS).

Met die functies kan appellante een zodanig inkomen verwerven dat dit vergeleken met haar maatmaninkomen een verlies aan verdiencapaciteit van 15 tot 25% oplevert.

Bij besluit van 15 februari 2001 heeft gedaagde appellante met ingang van 24 november 1999 een uitkering ingevolge de WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Nadat appellante onder meer tegen dit besluit bezwaar had gemaakt, waarbij mr. De Jonge aanvullende informatie van de huisarts en de orthopedisch chirurg prof. dr. J.A.N. Verhaar heeft overgelegd, heeft de bezwaarverzekeringsarts

T.P.A. Albertsma aanleiding gevonden de vastgestelde belastbaarheid bij te stellen en twee functies voor appellante ongeschikt te achten.

Hiervan uitgaande heeft de bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards appellante geschikt geacht voor drie functies, te weten:

fb-code 3802 telefoniste/centraliste met 21 arbeidsplaatsen en een uurloon van ƒ 19,91,

fb-code 3992 statistisch medewerker met 100 arbeidsplaatsen en een uurloon van ƒ 19,47

fb-code 3311 service medewerker met 43 arbeidsplaatsen en een uurloon van ƒ 17,85.

Afgezet tegen een maatmaninkomen van ƒ 26,13 per uur levert dit een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% op.

Bij besluit op bezwaar van 24 mei 2002, verder: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar van appellante gegrond verklaard en onder meer het hiervoor weergegeven besluit van 15 februari 2001 ingetrokken onder toekenning van een uitkering ingevolge de WAO naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% met ingang van

24 november 1999.

Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank heeft geoordeeld dat er geen redenen zijn om de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid voor onjuist te houden. Voorts acht de rechtbank de geselecteerde functies voor appellante geschikt.

De rechtbank heeft op arbeidskundige gronden het bestreden besluit niet in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de functie telefoniste/centraliste met fb-code 3802 voor de eerste maal op 10 december 1999 is geënquêteerd en op 5 januari 2000 in het FIS is ingevoerd. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad heeft de rechtbank geoordeeld dat genoemde functie is geactualiseerd op een datum na de datum in geding, 24 november 1999, en daarom niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd. Op die grond is het bestreden besluit vernietigd en is onder meer aan gedaagde opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het medisch oordeel van de rechtbank over haar belastbaarheid en tegen het oordeel van de rechtbank over haar geschiktheid voor de geselecteerde functies.

Gedaagde heeft in de aangevallen uitspraak berust en ter uitvoering daarvan een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Bij dat besluit van 22 september 2003 heeft gedaagde op grond van een nader rapport van de bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 24 november 1999 wederom vastgesteld op 25 tot 35%. Wijngaards, die daarbij is uitgegaan van de door de bezwaarverzekeringsarts Albertsma bijgestelde en door de rechtbank geaccordeerde belastbaarheid, heeft daartoe de functie telefoniste/ centraliste (fb-code 3802) geselecteerd, zoals die op de datum in geding in het FIS voorkwam. Deze functie, die wat betreft de functiebelasting niet anders is dan de door de rechtbank verworpen functie, kent een lagere beloning, ƒ 16,58 per uur, maar uitgaande van de alsdan op een na hoogst beloonde functie, servicemedewerker met een uurloon van ƒ 17,85, blijft de mate van arbeidsongeschiktheid binnen de klasse van 25 tot 35%.

Op verzoek van de Raad heeft gedaagde door inzending bij brief van 5 november 2004 van een rapport van 18 oktober 2004 van de bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen een nadere toelichting gegeven op een mogelijke overschrijding ten aanzien van tillen en dragen in de functie van servicemedewerker. Deze stukken zijn door de griffie van de Raad bij brief van 8 november 2004 aan de gemachtigde van appellante toegezonden en de inhoud daarvan is ter zitting van de Raad ter sprake gekomen.

De Raad oordeelt als volgt.

Aangezien met het hiervoor weergegeven besluit van 22 september 2003, dat gedaagde ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen, aan het beroep tegen het bestreden besluit niet geheel tegemoet is gekomen, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit.

Voorts heeft de Raad in hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding gevonden om anders te oordelen over de vastgestelde belast-baarheid van appellante en haar geschiktheid voor de geselecteerde functies dan de rechtbank heeft gedaan in de aangevallen uitspraak. De Raad heeft daarbij tevens de, onweersproken gebleven, toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige Hogeveen op de belasting van de functie van servicemedewerker betrokken.

Van de zijde van appellante zijn geen gegevens van behandelend artsen en specialisten overgelegd die aanknopingspunten bieden voor een andersluidend oordeel.

Wat betreft de namens appellante overgelegde rapporten van mevrouw Verhage volstaat de Raad met herhaling van zijn in eerder uitspraken neergelegde opvatting dat ten aanzien van de voor de toepassing van de WAO relevante arbeidsbeperkingen geldt dat die ook op de in de reguliere geneeskunde gebruikelijke wijze dienen te worden vastgesteld. Daarom bieden die rapporten naar het oordeel van de Raad in medisch opzicht geen aanknopingspunt voor het trekken van de conclusie dat appellante op de datum in geding op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet in staat was de aan haar als voor haar geschikt voorgehouden, binnen de grenzen van de door de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van haar vastgestelde belastbaarheid blijvende, functies verbonden werkzaamheden te verrichten.

Voor de juistheid van de stelling dat met betrekking tot appellantes belastbaarheid ook een beperking bij het gebruik van de nek in aanmerking had moeten worden genomen, valt in de van medici afkomstige gedingstukken geen aanknopingspunt te vinden. Het is de Raad voorts opgevallen dat appellante bij de verzekeringsarts en bij de bezwaarver-zekeringsarts ook zelf niet heeft aangegeven dat zij problemen had bij het gebruik van de nek door haar schouderaandoening.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

Met betrekking tot het besluit van 22 september 2003 oordeelt de Raad als volgt.

In dat besluit heeft gedaagde als uitgangspunt gehanteerd de belasting van appellante zoals die door de bezwaarverzekeringsarts Albertsma is vastgesteld en door de rechtbank is geaccordeerd. Hiervan uitgaande acht de Raad de bevindingen en conclusie van de bezwaararbeidsdeskundige Wijngaards juist.

Dit leidt de Raad tot de slotsom dat het beroep, voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 22 september 2003, ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 22 september 2003 ongegrond;

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) H.H.M. Ho.

MH