Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS8358

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2005
Datum publicatie
01-03-2005
Zaaknummer
03/1702 WAO + 03/1817 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Zijn de medische en de arbeidskundige beperkingen juist vastgesteld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/1702 WAO + 03/1817 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht onder dagtekening 26 februari 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer: AWB 01/1733 WAO Z.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, voorzien van bijlagen, waaronder een afschrift van een nader besluit van

28 maart 2003.

Bij brief van 28 oktober 2004 heeft appellants raadsman nadere informatie verstrekt en de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 november 2004, waar appellant met voorafgaand bericht in persoon noch bij gemachtigde is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. R.G. Willems-Cremers, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser en gedaagde als verweerder is aangeduid, zijn de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval als volgt weergegeven;

"Eiser, geboren in 1950, heeft in 1992 vanwege rugklachten zijn werkzaamheden als lasser moeten neerleggen. Hij ontvangt sedert 1993 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een wisselende mate van arbeidsongeschiktheid.

Eisers WAO-uitkering is ten gevolge van een toename van de klachten bij besluit van 8 december 2000 met ingang van

29 oktober 1999 herzien naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80-100%.

Verzekeringsarts T. Jansen heeft in het kader van een herbeoordeling op basis van eigen onderzoek en bij de longarts

M. Twja en de internist R. Bianchi ingewonnen informatie alsmede de reeds in het dossier aanwezige medische gegevens in zijn rapportage algemeen van 9 april 2001 aangegeven welke beperkingen eiser zou ondervinden bij het uitvoeren van werkzaamheden. De beperkingen zijn benoemd in het op 19 maart 2001 opgestelde belastbaarheidprofiel. Bij eiser zijn de navolgende diagnoses gesteld. Hij heeft last van chronisch aspecifieke lage rugklachten, astmatische bronchitis met een hyperventilatiecomponent en hypertensie.

De arbeidsdeskundige W. van Hoof heeft vervolgens in een rapportage van 26 juli 2001 aangegeven dat eiser met inachtneming van de in het belastbaarheidprofiel vermelde beperkingen, nog in staat wordt geacht een aantal werkzaamheden te verrichten. Deze functies kunnen naar het oordeel van verweerder als algemeen geaccepteerde arbeid worden aangemerkt. Het betreft de functies samensteller van metaalproducten, metaalperser bediende en gereedschap- slijper. Met het verrichten van die werkzaamheden zou eiser een verlies aan verdienvermogen van 41,69% hebben.

Bij besluit van 13 augustus 2001 is aan eiser meegedeeld dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid per 11 oktober 2001 is gewijzigd naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35-45%.

Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 19 september 2001 een bezwaarschrift ingediend.

Op 29 oktober 2001 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van het verhandelde is een verslag gemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

De bezwaarverzekeringsarts mw. J. Jonker heeft in haar rapportage van 29 oktober 2001 aangegeven dat er geen medisch argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel. Zij noemt naast de door de primaire arts reeds benoemde diagnoses nog psoriasis aan de nagels en koortsblaasjes aan de lippen. Eiser moet ondanks zijn klachten in staat geacht worden de geduide werkzaamheden te verrichten. De bezwaarverzekeringsarts merkt daarbij op dat de door eiser aangedragen omstandigheid dat hij ten gevolge van hyperventilatie wel eens flauw valt naar haar oordeel niet tot een beperking op het item persoonlijk risico hoeft te leiden. De geduide functie gereedschapslijper dient echter vanwege een overschrijding van het belastbaarheidpatroon te komen te vervallen.

De mediane loonwaarde is in een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J. Van der Naald van 5 november 2001, gelet op het feit dat de functie van gereedschapslijper op grond van de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts is komen te vervallen, bijgesteld. Met de thans geduide functies van samensteller van metaalproducten, metaalperser bediende en confectienaaister zou eiser een verlies van verdienvermogen van 44,55% hebben. De mate van arbeidsongeschiktheid blijft derhalve ingedeeld in een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35-45%.

Bij het thans bestreden besluit van 28 november 2001 is het bezwaarschrift, gelet op het voorgaande, ongegrond verklaard."

Ten aanzien van de medische grondslag van het besluit van 28 november 2001 heeft de rechtbank overwogen dat in de door appellant overgelegde gegevens van de longarts Tjwa, de klinisch psycholoog Van den Heuvel, de revalidatie-arts Heuts en de dermatoloog Van Mierlo onvoldoende aanknopingspunten zijn gelegen voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellant op de datum in geding door de verzekeringsartsen van gedaagde niet op de juiste wijze zijn vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank naar aanleiding van de namens appellant ingebrachte stukken, betrekking hebbend op een beoordeling in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW), waaruit naar voren komt dat appellant een zogeheten WSW-indicatie heeft gekregen, voorts overwogen dat in het kader van de WSW een andere toets wordt gehanteerd dan in het kader van de WAO.

De rechtbank heeft zich evenwel niet kunnen verenigen met de arbeidskundige grondslag van het besluit van 28 november 2001. De rechtbank heeft in dit verband vastgesteld dat een van de bij de schatting gebruikte functies, te weten de functie van assemblagemedewerker, een actualiseringsdatum heeft die ten opzichte van de datum in geding te ver in het verleden is gelegen, terwijl tevens onduidelijk is of bij de berekening van het maatmaninkomen is gebruik gemaakt van de juiste indexcijfers. De rechtbank heeft het besluit van 28 november 2001 vernietigd op de grond dat het onzorgvuldig tot stand is gekomen en heeft gedaagde opgedragen om een nieuw besluit te nemen op appellants bezwaarschrift tegen het primaire besluit van 13 augustus 2001.

Gedaagde heeft in de uitspraak berust. De bezwaararbeidsdeskundige van gedaagde heeft een onderzoek ingesteld inzake de beide door de rechtbank geconstateerde arbeidskundige onvolkomenheden, als hiervoor vermeld, en heeft daarbij vastgesteld dat de functie assemblagemedewerker ook in een geactualiseerde versie op de datum in geding in het FIS voorkomt. Voorts heeft hij het maatmaninkomen herberekend aan de hand van de inmiddels bekend geworden definitieve indexcijfers. Op basis van die nadere gegevens heeft de bezwaararbeidsdeskundige geadviseerd appellant onverminderd in aanmerking te doen komen voor indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.

Bij besluit van 28 maart 2003, genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, heeft gedaagde, evenvermeld advies van zijn bezwaararbeidsdeskundige volgend, het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit tot herziening van zijn uitkering met ingang van 11 oktober 2001 naar 35 tot 45%, andermaal ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep zijn opvatting gehandhaafd dat zijn beperkingen, zowel op het lichamelijke vlak als op het psychische vlak, van de zijde van gedaagde zijn onderschat, dat hij in verband daarmee ongeschikt is voor werkzaamheden op de vrije arbeidsmarkt, en dat hij (derhalve) niet in staat is tot het vervullen van de bij de schatting in aanmerking genomen functies.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat niet gebleken is van een nog aan de zijde van appellant bestaand belang bij een beoordeling van het besluit van 28 november 2001, in verband waarmee het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Voorts dient, gelet op artikel 6:19, eerste lid en artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep van appellant worden geacht mede te zijn gericht tegen het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak door gedaagde genomen nadere besluit van 28 maart 2003, hierna aan te duiden als: het bestreden besluit.

De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit dan het oordeel waartoe de rechtbank is gekomen. De Raad kan zich vinden in de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank. Voorts acht de Raad juist de beschouwingen van gedaagdes bezwaarverzekeringsarts Jonker in haar rapport van 28 mei 2003, gegeven in reactie op de namens appellant in hoger beroep naar voren gebrachte stellingen. De Raad overweegt nog het volgende.

Met betrekking tot de ook in hoger beroep benadrukte WSW-indicatie van appellant, overweegt de Raad dat uit die indicatie, daarbij mede gelet op de daaraan ten grondslag liggende rapportage, niet kan worden afgeleid dat ten tijde in dit geding van belang functies op de vrije arbeidsmarkt buiten het bereik van appellant lagen. De bezwaarverzekeringsarts van gedaagde heeft zich in haar evenvermelde rapport van 28 mei 2003 in gelijke zin uitgelaten. Terecht heeft de rechtbank in dit verband overwogen dat de criteria die worden aangelegd bij een dergelijke WSW-beoordeling niet dezelfde zijn als de criteria die van belang zijn in het kader van arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen ingevolge de WAO.

Voorts stelt de Raad vast dat in hoger beroep geen nadere objectief-medische gegevens zijn overgelegd die steun zouden kunnen verlenen aan de door appellant gehandhaafde opvatting dat zijn beperkingen door gedaagde zijn onderschat. Dat geldt zowel voor de genoemde longklachten, de huidklachten als de psychische klachten van appellant. Ook appellants eigen opvatting dat in geval van werkhervatting sprake is van een onaanvaardbaar hoog verzuimrisico, ontbeert een genoegzame objectief-medische onderbouwing.

De gegevens ten slotte, als blijkend uit de in rubriek I vermelde brief van appellants raadsman van 28 oktober 2004, met betrekking tot in 2003 geconstateerde hartproblemen bij appellant, kunnen in het kader van de onderhavige procedure evenmin tot een ander oordeel leiden. Zoals de raadsman van appellant in die brief zelf al opmerkt, gaat het hier immers om feiten en gegevens van na de litigieuze beoordelingsdatum.

Uit het bovenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden, waarbij de Raad nog opmerkt dat in het licht van artikel 8:69 van de Awb ook overigens niet is gebleken van aanknopingspunten om daarover anders te oordelen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het bestreden besluit ongegrond;

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.