Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS7605

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2005
Datum publicatie
25-02-2005
Zaaknummer
04/700 AW + 04/4486 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiewaardering. Is ten onrechte geweigerd de organieke functiebeschrijving in overeenstemming te brengen met de werkzaamheden die aan gedaagde werden opgedragen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/700 AW + 04/4486 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 5 december 2003, nr. AWB 03/1294, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 21 januari 2004 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, tegen welke beslissing gedaagde bij schrijven van 17 februari 2004 beroep heeft ingesteld.

Het geding is behandeld ter zitting van 6 januari 2005. De gemachtigde van appellant, mr. L.M.T. Moerdijk-Gruijters, is vanwege problemen op het spoortraject niet ter zitting verschenen, maar heeft haar pleitnota per fax aan de Raad doen toekomen.

Gedaagde is in persoon verschenen.

II. MOTIVERING

1. Aangezien appellant zich wegens overmacht niet ter zitting kon laten vertegenwoordigen heeft de Raad met instemming van gedaagde de per fax toegestuurde pleitnota van de gemachtigde van appellant in de beoordeling van het geding betrokken.

1.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Gedaagde is werkzaam bij de gemeente Oirschot op de afdeling bouw- en woningtoezicht (BWT). Zij is benoemd in de functie administratief medewerker BWT en vervulde die functie met een collega in een duobaan van voor beiden 18 uur per week. Per 1 februari 2003 is gedaagde in een andere functie benoemd.

1.3. Bij besluit van 25 september 2002 heeft appellant een (minimaal) gewijzigde beschrijving van de functie van gedaagde vastgesteld. De waardering van die functie bleef ongewijzigd bepaald op schaal 7. Appellant heeft dit besluit na bezwaar bij het bestreden besluit van 27 maart 2003 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van gedaagde gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen en een bepaling gegeven omtrent het griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat er voldoende aanwijzingen waren dat er op 25 september 2002 sprake was van een structurele wijziging van de taakinhoud. Aangezien de rechtbank tevens van oordeel was dat een inmiddels tot stand gekomen beschrijving van de nieuwe functie van administratief-juridisch medewerker BWT wel een juiste weergave vormde van de taken waarmee gedaagde op de datum in geding was belast, heeft de rechtbank de functiebeschrijving van 25 september 2002 vernietigd en appellant in overweging gegeven een nieuwe functie-beschrijving vast te stellen overeenkomstig de beschrijving van de functie administratief-juridisch medewerker BWT.

3. Naar aanleiding van hetgeen door en namens partijen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad onderschrijft niet de grief van appellant dat de rechtbank de stukken die gedaagde op 13 oktober 2003 aan de rechtbank heeft toegezonden ten onrechte bij de beoordeling heeft betrokken. Die stukken zijn immers ingediend binnen de termijn genoemd in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Evenmin behoefde de rechtbank de verslagen van de functioneringsgesprekken buiten beschouwing te laten omdat gedaagde deze niet reeds in de bezwarenprocedure had ingebracht. Van een handelen in strijd met een goede procesorde is naar het oordeel van de Raad geen sprake.

3.2. Met betrekking tot het door gedaagdes leidinggevende op 8 januari 2003, derhalve na het nemen van het primaire besluit opgemaakte memo, wijst de Raad er, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 23 juli 1996, LJN ZB6596,

RSV 1997/17, op dat het een partij vrij staat zijn stellingen met betrekking tot de juistheid van de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen tijdens de behandeling van het beroep of het hoger beroep te staven met later opgekomen bewijsmiddelen. Blijkens het proces verbaal van de zitting bij de rechtbank is de visie van appellant op de betekenis van dat memo, mede in het licht van de zogenoemde ex tunc toetsing, ter zitting van de rechtbank van 27 oktober 2003 overigens uitvoerig aan de orde geweest.

3.3. Dat de rechtbank van mening zou zijn dat de in de advertentietekst weergegeven beschrijving van de functie van gedaagde ook volgens appellant een adequate omschrijving zou zijn van de aan gedaagde opgedragen werkzaamheden

- hetgeen een erkenning van de juistheid van het standpunt van gedaagde zou inhouden - valt in de uitspraak niet te lezen. Ook die grief van appellant kan daarom niet slagen.

3.4. Met betrekking tot de vraag of de functiebeschrijving van 25 september 2002 een juiste weergave vormt van de werkzaamheden die aan gedaagde ten tijde van belang waren opgedragen overweegt de Raad evenals de rechtbank dat de rechter de juistheid van een (organieke) functiebeschrijving volledig dient te toetsen (CRvB 1 juli 1999, LJN AA8646,

TAR 1999, 125 en JB 1999/231).

3.5. Gedaagde heeft aangevoerd dat de functiebeschrijving van 25 september 2002 al enkele jaren de lading niet meer volledig dekt, omdat er vanaf begin 2000 als gevolg van het BMS-traject en het Bouwbeleidsplan een ingrijpende verschuiving van taken binnen de afdeling heeft plaatsgevonden. Sedertdien worden de administratief ondersteunende taken uit de functiebeschrijving, behoudens een enkele kleine aanvraag voor bijvoorbeeld een dakkapel, nog uitsluitend uitgevoerd door haar duo-baan-collega. Gedaagde wordt sedertdien belast met de beoordeling en (volledige) afhandeling van beschikkings-aanvragen en van vrijstellingsverzoeken.

3.5.1. Ter zitting heeft gedaagde toegelicht dat die taken voordien nog grotendeels berustten bij de juridisch medewerker, maar dat de juridisch medewerker sinds het BMS-traject en het Bouwbeleidsplan vooral werd belast met de behandeling van bezwaar- en beroepschriften en handhavingszaken. Desgevraagd heeft gedaagde tevens verklaard dat de splitsing van de duo-functie geen kwestie was van een onderlinge informele wijziging in de taakverdeling tussen haar en haar collega, maar in samenspraak met de afdelings-leiding heeft plaatsgevonden. Gedaagde heeft ten slotte nog verklaard dat de wijziging van haar functieinhoud los staat van de extra taken die zij daarnaast nog heeft verricht tijdens ziekte van de juridisch medewerker. In die periode heeft zij ook meer uren per week gewerkt.

3.6. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de gedingstukken, met name het verslag van het functionerings- gesprek met gedaagde op 14 juni 2000 en voorts het in 3.2. genoemde memo van 8 januari 2003 voldoende steun bieden voor de juistheid van het standpunt van gedaagde dat zij de desbetreffende taken in opdracht van de afdelingsleiding structureel heeft vervuld.

Appellant heeft in het beroepschrift ook niet aangegeven welke andere medewerker(s) de desbetreffende taken in de relevante beoordelingsperiode zou(den) hebben uitgevoerd.

3.7. Onder deze omstandigheden heeft appellant ten onrechte geweigerd de organieke functiebeschrijving in overeenstemming te brengen met de werkzaamheden die sinds het BMS-traject en het Bouwbeleidsplan door de afdelingsleiding aan gedaagde werden opgedragen. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

4. Met betrekking tot het nadere besluit van 21 januari 2004 dat appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen, welk besluit op de voet van artikel 6:19 van de Awb deel uitmaakt van het geding in hoger beroep, overweegt de Raad dat gedaagde zich blijkens hetgeen zij in haar reactie op dat besluit heeft aangevoerd, kan verenigen met de beschrijving van de taakinhoud. Gedaagde kan zich evenwel niet verenigen met de waardering van de nieuw beschreven functie op de secundaire factoren functionele vorming en handelingsvrijheid.

4.1. De Raad stelt voorop dat de rechterlijke toetsing in een geval als dit een terughoudende dient te zijn, in die zin dat de rechter zich, naast de overigens in aanmerking komende toetsing van het bestreden besluit aan regels van geschreven en ongeschreven recht en algemene rechtsbeginselen, moet beperken tot de vraag of de in geding zijnde waardering op onvoldoende gronden berust.

4.2 De Raad stelt vast dat de gedingstukken te weinig informatie bevatten om de onder 4 genoemde grieven van gedaagde tegen dit besluit te kunnen beoordelen. Zo is er geen analyse beschikbaar van de nieuw beschreven functie, waarin de uit te voeren werkzaamheden worden getoetst aan de omschrijvingen van de hoofdgroep en de secundaire factoren in het gemeentelijk functiewaarderingssysteem. De Raad ziet daarin aanleiding het besluit van 21 januari 2004 te vernietigen omdat het in zoverre niet berust op een voldoende kenbare motivering.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, bestaande uit een bedrag van € 22,46 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 januari 2004 gegrond en vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep ten bedrage van € 22,46 aan reiskosten, te betalen door de gemeente Oirschot;

Bepaalt dat van de gemeente Oirschot een griffierecht van € 414,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.J.W. Loots.