Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS7585

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2005
Datum publicatie
25-02-2005
Zaaknummer
04/1303 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing tot erkenning als vervolgingsslachtoffer op de grond dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

04/1303 WUV

[eiseres], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 23 januari 2004, nr. JZ/P60/2003/0011, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945.

Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiseres uiteengezet waarom zij het met het bestreden besluit niet eens is.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 januari 2005. Daar is eiseres niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door drs. T.N.L.C. van Wickevoort Crommelin, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken heeft eiseres in maart 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering en een bijzondere voorziening ingevolge de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (verder: de Wet). In dit verband heeft eiseres gesteld dat zij tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd is geweest in kamp Kedunghalang.

Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit d.d. 1 oktober 2003, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet wordt - voor zover hier van belang - onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot omstandigheden als omschreven in het eerste lid, onder a. Die omstandigheden betreffen vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen.

Op grond van de voorhanden zijnde gegevens heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat eiseres tijdens de bezettingsjaren vrijheidsberoving in bovenvermelde zin heeft ondergaan.

Hiertoe neemt de Raad in aanmerking dat het informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis in de vanwege deze organisatie geraadpleegde bronnen, evenals de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, die de beschikking heeft over onder meer de archieven van Overzeese Pensioenen, betreffende de Japanse bezettingsperiode geen gegevens omtrent eiseres heeft aangetroffen.

De getuigenverklaringen zijn onvoldoende om het relaas van eiseres te bevestigen, nu objectieve gegevens omtrent eiseres en getuigen ontbreken.

Voorts merkt de Raad op dat het kamp Kedunghalang, waar eiseres stelt te hebben verbleven, blijkens de informatie van het NIOD als opvang- en evacuatiekamp tijdens de Bersiap-periode heeft gefunctioneerd.

Ook uit de verklaringen, die de moeder van eiseres in het kader van een eigen aanvraag in 1973 heeft afgelegd, komt naar voren dat het gezin niet tijdens de Japanse bezetting in Kedunghalang heeft verbleven. Reeds om die reden kan het verblijf aldaar niet onder de werking van de Wet worden gebracht.

Daarmee is niet miskend dat eiseres gedurende de bezettingsjaren moeilijke en angstige tijden heeft meegemaakt, doch de Wet voorziet niet in compensatie van tijdens de bezetting door eiseres en haar familie ondervonden leed. De Wet biedt geen mogelijkheid om in het geval van eiseres op andere gronden dan hierboven aangegeven erkenning als vervolgde te verlenen.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.

De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2005.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.