Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS7071

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2005
Datum publicatie
23-02-2005
Zaaknummer
02/2607 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstanduitkering. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen inkomsten uit arbeid. Juistheid herzieningsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2005, 136

Uitspraak

02/2607 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant heeft mr. J.M.E. Hamming, advocaat te Drachten, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 11 april 2002, reg.nr. 01/659 ABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 december 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. Hamming, en waar gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt sedert 1 oktober 1982 een bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellant als klusjesman zou werken heeft het Bureau Sociale Recherche Regio Friesland-Oost (verder: sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader zijn appellant en enkele getuigen gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 9 augustus 2000 en 8 december 2000. Op grond daarvan heeft gedaagde geconcludeerd dat appellant, zonder daarvan aan gedaagde mededeling te doen, in 1998 en/of 1999 gedurende een half jaar drie dagen per week voor

[wergever 1] en in 1999 gedurende drie maanden drie dagen per week voor J[werkgever 2] heeft gewerkt en uit die werkzaamheden inkomsten heeft genoten.

Bij besluit van 13 december 2000 heeft gedaagde het recht op uitkering over de periode van 1 januari 1998 tot en met

31 december 1999 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw herzien, met dien verstande dat alsnog rekening wordt gehouden met de inkomsten van appellant. Bij afzonderlijk besluit van 13 december 2000 heeft gedaagde vervolgens met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van f 15.035,17 van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 12 juni 2001 heeft gedaagde de bezwaren tegen de besluiten van 13 december 2000 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 juni 2001 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek heeft afgewezen om de opsporingsambtenaar, die appellant heeft gehoord, als getuige op te roepen. Deze grief treft geen doel. De artikelen 8:46, eerste lid, en 8:60, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geven de rechtbank de bevoegdheid ambtshalve een getuige op te roepen. Zij is daartoe niet verplicht. De Raad is niet gebleken dat de rechtbank er niet in redelijkheid van heeft kunnen afzien de getuige op te roepen die appellant gehoord wenste te zien. De enkele omstandigheid dat de getuige, daartoe door appellant opgeroepen, niet van zins was te verschijnen is onvoldoende om de rechtbank tot het oproepen van die getuige gehouden te achten. Appellant heeft gesteld dat de rechtbank zijn verzoek om de opsporingsambtenaar als getuige te horen heeft afgewezen op de grond dat die ambtenaar waarschijnlijk toch niet anders zou gaan verklaren dan hij reeds in zijn ambtsedig proces-verbaal had gedaan. Die stelling heeft appellant niet onderbouwd. Zij vindt geen steun in de gedingstukken, in het bijzonder niet in de schriftelijke afwijzing van het verzoek door de rechtbank en evenmin in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank.

Appellant heeft de Raad verzocht de opsporingsambtenaar, die appellant heeft gehoord, alsnog als getuige op te roepen. De Raad ziet in de voorhanden zijnde gegevens en in hetgeen ter zitting naar voren is gebracht geen aanleiding om de betreffende opsporingsambtenaar zelf als getuige op te roepen.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hij niet aan zijn in het kader van het onderzoek door de sociale recherche afgelegde verklaring mag worden gehouden omdat die verklaring onder ongeoorloofde druk is afgelegd en hij daarop later is teruggekomen. De Raad stelt vast dat de betreffende verklaring is opgenomen in een proces-verbaal van verhoor dat door appellant is ondertekend. Vaste jurisprudentie van de Raad is dat in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en door betrokkene ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking of wijziging van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. De gedingstukken en hetgeen ter zitting van appellant nog naar voren is gebracht bieden geen aanknopingspunten om van die hoofdregel af te wijken. Niet gebleken is dat de door appellant ondertekende verklaring onder ontoelaatbare druk tot stand is gekomen of dat ze in essentie geen juiste weergave bevat van hetgeen ten overstaan van de sociale recherche is verklaard. Door appellant is gesteld dat de opsporingambtenaar tijdens het verhoor zou hebben gedreigd met de woorden “we gaan naar Leeuwarden toe”. Anders dan appellant merkt de Raad die woorden, wat daar overigens ook van zij, niet aan als ongeoorloofde pressie, ook niet in het licht van de gestelde constitutie van appellant. Appellant moet dan ook aan zijn ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaring worden gehouden.

De Raad is van oordeel dat op grond van de rapporten van de sociale recherche van 9 augustus 2000 en 8 december 2000 genoegzaam is komen vast te staan dat appellant in 1998 en in 1999 in betekenende mate op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht en in elk geval in 1999 inkomsten uit arbeid heeft genoten. De Raad hecht in het bijzonder betekenis aan de verklaring van appellant dat hij in 1999 ongeveer drie maanden lichte timmerwerkzaamheden heeft verricht voor

[werkgever 2] gedurende gemiddeld drie dagen per week en gemiddeld zes uur per dag, dat hij in 1998 in zijn garage, die voorzien was van een smeerput, voor [werkgever 3] herstelwerkzaamheden aan een auto heeft verricht, dat hij herstelwerk heeft verricht aan auto’s voor vrienden, kennissen en familie en dat hij in 1998 of 1999 ongeveer een half jaar heeft gewerkt voor het klussen- of aannemersbedrijf van [wergever 1] gedurende drie dagen per week en daarmee f 100,- per dag verdiende. De verklaring van appellant vindt in voldoende mate steun in de verklaringen van de twee door de sociale recherche gehoorde getuigen.

Appellant heeft van deze werkzaamheden en inkomsten, die onmiskenbaar van belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand, geen mededeling aan gedaagde gedaan. Met gedaagde en de rechtbank is de Raad derhalve van oordeel dat appellant over het tijdvak van 1 januari 1998 tot en met 31 december 1999 de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

Gedaagde heeft het recht op bijstand in die zin herzien dat alsnog rekening gehouden wordt met de inkomsten van appellant. Om bij de herziening van het recht op bijstand alsnog met de inkomsten van appellant rekening te kunnen houden is, gelet op het gegeven dat de algemene bijstand op grond van artikel 27, eerste lid, van de Abw per kalendermaand wordt vastgesteld, vereist dat kan worden bepaald op welke kalendermaanden de inkomsten van appellant betrekking hadden. Gedaagde is echter tot herziening overgegaan zonder vast te stellen op welke kalendermaanden de inkomsten van appellant betrekking hadden. Het voorgaande brengt mee dat - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - het besluit van 12 juni 2001, voorzover dit betrekking heeft op de herziening van het recht op bijstand, wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het besluit van 12 juni 2001 in stand te laten en overweegt daartoe als volgt. Nu is komen vast te staan dat appellant tekort is geschoten in zijn wettelijke plicht tot het geven van juiste en volledige inlichtingen is gedaagde op grond daarvan in beginsel gerechtigd het recht op bijstand over de in geding zijnde periode in te trekken. Het is dan aan appellant om feiten te stellen en, zo nodig te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat appellant, als hij zijn verplichting tot het geven van inlichtingen wèl naar behoren was nagekomen, over de betrokken periode volledige, althans aanvullende bijstand zou zijn verstrekt. Naar het oordeel van de Raad is appellant daarin niet geslaagd. De Raad merkt dienaangaande op dat appellant als bijstandsgerechtigde verplicht was onder overlegging van bewijsstukken tijdig, volledig en nauwkeurig opgave te doen van (de omvang van) zijn activiteiten en van de door hem genoten inkomsten. Door dit na te laten en ook geen administratie bij te houden heeft hij het risico genomen dat hij in het kader van een fraudeonderzoek niet zou beschikken over bewijsstukken om de hoogte van zijn inkomsten en het tijdstip waarop zij betrekking hebben aan te tonen. Van dringende redenen om van intrekking af te zien is de Raad niet gebleken. De Raad is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat appellant zeker niet tekort is gedaan met het besluit van gedaagde om het recht op bijstand slechts in zoverre te herzien dat alsnog rekening wordt gehouden met diens inkomsten over de in geding zijnde periode.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde gehouden was tot terugvordering van de als gevolg van het herzieningsbesluit ten onrechte verleende bijstand over de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 1999 over te gaan. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is de Raad niet gebleken. Voorzover het beroep van appellant tegen de terugvordering is gericht, dient het dan ook ongegrond te worden verklaard.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 12 juni 2001 voorzover dit betrekking heeft op de herziening van het recht op bijstand;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Achtkarspelen;

Bepaalt dat de gemeente Achtkarspelen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 109,23 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2005.

(get). R.M. van Male

(get). R. van den Munckhof