Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS6730

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2005
Datum publicatie
21-02-2005
Zaaknummer
03/1858 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gedaagde geeft te kennen om het standpunt met betrekking tot de benadelingshandeling niet te handhaven: het enkele niet verzoeken om een vergoeding ter zake van de ontbinding dan wel om een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de langere termijn kan niet als benadelingshandeling worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

03/1858 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 18 maart 2003, nr. 02/875 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en is desgevraagd nadere informatie verstrekt.

Partijen hebben desgevraagd toestemming gegeven om het onderzoek ter zitting achterwege te laten, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Bij het thans bestreden besluit van 16 juli 2002 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 november 2001, ongegrond verklaard voor zover betrekking hebbend op het opleggen van de maatregel van tijdelijke gehele weigering van de toegekende WW-uitkering over de periode van 29 oktober 2001 tot 1 januari 2002 wegens het plegen van een benadelingshandeling. Dit op de grond dat appellante de kantonrechter, bij wie haar voormalige werkgever een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst had ingediend, niet heeft verzocht om bij de vaststelling van de datum van ontbinding rekening te houden met de voor de werkgever geldende opzegtermijn en/of een vergoeding toe te kennen die (minimaal) gelijk is aan het loon over die opzegtermijn.

Het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij voormelde uitspraak van de rechtbank ongegrond verklaard.

De Raad overweegt het volgende.

Desgevraagd heeft gedaagde te kennen gegeven voormeld standpunt niet te handhaven. Dit in verband met vaste jurisprudentie van de Raad, waaronder uitspraken van 11 juni 2003, onder meer gepubliceerd in RSV 2003/230 en USZ 2003/244, waaruit volgt dat het enkele niet verzoeken om een vergoeding ter zake van de ontbinding dan wel om een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de langere termijn niet als benadelings-handeling kan worden aangemerkt.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en, evenals de aangevallen uitspraak, voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde opnieuw op het bezwaar zal beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--;

Bepaalt dat gedaagde aan appellante het betaalde recht van € 116,-- (€ 87,-- + € 29,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.D.F. de Moor.