Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS6723

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
21-02-2005
Zaaknummer
03/1309 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet meer ongeschikt voor het verrichten van haar arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

03/1309 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld tegen een op 30 januari 2003 door de rechtbank `s-Hertogenbosch tussen partijen gewezen uitspraak (reg.nr. AWB 01/2881 ZW), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 januari 2005, waar appellante niet is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen L. den Hartog, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellante was sedert april 1999 werkzaam champignonplukster en is op 22 juni 2001 uitgevallen wegens een nagelextractie. Op 30 juli 2001 is zij onderzocht door een verzekeringsarts, die ook de door appellante aangegeven hoofdpijn- en nekklachten heeft onderzocht en is zij door hem per 31 juli 2001 hersteld verklaard. Op 1 augustus 2001 is appellante wegens nek-, hoofdpijn- en rugklachten uitgevallen. Bij besluit van 1 augustus 2001 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld dat zij op 31 juli 2001 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid.

Bij besluit van 2 november 2001 (het bestreden besluit) verklaarde gedaagde het bezwaar van appellante ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante eveneens ongegrond en overwoog daarbij dat op grond van de beschikbare medische gegevens de rechtbank met gedaagde van oordeel is dat appellante op 1 augustus 2001 in staat moest worden geacht tot het verrichten van haar werkzaamheden. Daarbij acht de rechtbank doorslaggevend dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts bij eigen onderzoek geen beperkingen hebben geconstateerd. De klacht van hoofd- en nekpijn heeft appellante, naar eigen zeggen, al sedert 1997. Nu appellante met deze klacht jaren heeft kunnen werken en er geen aanknopingspunten zijn dat er een toename van klachten sedert 1 augustus 2001 is opgetreden moet appellante volgens de rechtbank in staat worden geacht haar eigen werk als champignonplukster te verrichten.

Appellante is het niet eens met deze uitspraak van de rechtbank en heeft in hoger beroep aangegeven dat uit de medische kaart blijkt en dat zij het uitdrukkelijk niet eens was met de herstelverklaring per 31 juli 2001 en dat zij geprobeerd heeft om 1 augustus 2001 haar werk te hervatten maar na enkele uren opnieuw is uitgevallen. Voorts is zij van mening dat haar psychische klachten door de bezwaarverzekeringsarts niet serieus zijn genomen en ten onrechte niet zijn onderzocht.

Gedaagde heeft als reactie op het hoger beroepschrift van appellante een rapport overgelegd van bezwaarverzekeringsarts A. Deitz van 2 mei 2003. Deze ziet na bestudering en heroverweging van de thans in hoger beroep ter beoordeling voorgelegde stukken geen aanleiding om het in het bestreden besluit genomen standpunt op medische indicatie te herzien.

De Raad overweegt als volgt

Door de verzekeringsarts zijn op 30 juli 2001 en 27 september 2001 ten aanzien van de hoofdpijn-, nek- en rugklachten geen objectiveerbare beperkingen vastgesteld.

Hetgeen van de zijde van appellante in (hoger) beroep is aangevoerd bevat geen medische informatie die het standpunt van appellante onderbouwen. De Raad heeft in de aanwezige stukken in het dossier geen aanwijzingen gevonden om te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsarsten. De Raad is eveneens als de rechtbank van oordeel dat appellante op 1 augustus 2001 in staat moest worden geacht tot het verrichten van haar werkzaamheden.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2005.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) A. van Netten.