Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS6714

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2005
Datum publicatie
21-02-2005
Zaaknummer
04/7043 MAW-VV e.a.
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening inzake besluiten betreffende de afwijzing van de aanvragen ingediend tot vrijwillig nadienen gedurende twee jaar vanaf de reguliere datum van leeftijdsontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/7043 MAW-VV

04/7049 MAW-VV

04/7055 MAW-VV

04/7074 MAW-VV

04/7075 MAW-VV

04/7077 MAW-VV

04/7078 MAW-VV

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

[verzoeker 1], wonende te [woonplaats 1], verzoeker 1,

[verzoeker 2], wonende te [woonplaats 2], verzoeker 2,

[verzoeker 3], wonende te [woonplaats 1], verzoeker 3,

[verzoeker 6], wonende te [woonplaats 1], verzoeker 6,

[verzoeker 7], wonende te [woonplaats 3], verzoeker 7,

[verzoeker 8], wonende te [woonplaats 1], verzoeker 8,

[verzoeker 9], wonende te [woonplaats 4], verzoeker 9,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. INLEIDING

Namens verzoekers is op daartoe aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 november 2004, nrs. AWB 04/1033, 04/1035, 04/1041, 04/1037, 04/1047, 04/1039, 04/1043, 04/1045, 04/1050, 04/1559, 04/1556 en 04/1561 MAWKMA. Tevens is verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat gedaagde voor verzoeker 3 duidelijkheid dient te verschaffen met betrekking tot zijn rechtspositionele status en te bepalen dat hij werkzaam blijft binnen de organisatie van gedaagde als ware hij een vrijwillig nadiener, dat gedaagde verzoeker 2, 6, 7, 8 en 9 beschouwt als ware zij nog altijd werkzaam in de organisatie van gedaagde en voor verzoeker 1 bepaalt dat hij in de organisatie van gedaagde werkzaam blijft als ware hij na zijn ontslag van 1 januari 2005 vrijwillig nadiener.

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 25 januari 2005, waar verzoeker 2, 3, 6, 7 en 8 in persoon zijn verschenen, bijgestaan door W.A. Herwijer, verbonden aan VBM/NOV. Verzoekers 1 en 9 hebben zich laten vertegenwoordigen door W.A. Herwijer, voornoemd. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Seventer, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningen-rechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoekers hebben bij gedaagde aanvragen ingediend tot vrijwillig nadienen gedurende twee jaar vanaf de reguliere datum van leeftijdsontslag. Gedaagde heeft deze verzoeken bij afzonderlijke besluiten afgewezen. Verzoekers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Gedaagde heeft de bezwaren van verzoekers bij individuele doch gelijkluidende bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat ten gevolge van grootschalige reorganisatie- en reductiemaatregelen alle vacante functies worden geblokkeerd, er geen vacante functies beschikbaar zijn en verzoekers derhalve niet in de gelegenheid kunnen worden gesteld om na te dienen.

2. De tegen de bestreden besluiten ingestelde beroepen zijn door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Alle verzoekers zijn inmiddels bij afzonderlijk besluit door gedaagde ontslagen wegens het bereiken of overschrijden van de voor hen geldende ontslagleeftijd.

4. De verzoeken om voorlopige voorziening strekken er toe dat de werking van de aange-vallen uitspraak wordt geschorst. Namens verzoekers is gesteld dat de aangevallen uitspraak geen stand kan houden. Daartoe is onder meer aangevoerd dat verzoekers op grond van de Beleidsnota vrijwillig nadienen militairen (P/2001004838 d.d. 16 juli 2001) een materieel recht op nadienen hebben. Het beleid is niet gewijzigd, ook niet middels de door gedaagde afgekondigde vacaturestop, zodat dit onverkort op verzoekers toegepast dient te worden. Gedaagde moet verzoekers een functieaanbod doen of de nadelige gevolgen van het besluit financieel compenseren. Het spoedeisend belang van verzoekers is gelegen in het verkrijgen van een uitspraak van de voorzieningenrechter die gedaagde ertoe dwingt om verzoekers te behandelen als ware zij nog altijd werkzaam in gedaagdes organisatie als vrijwillig nadieners en voor verzoeker 1 om ook na 1 januari 2005 in de organisatie van gedaagde werkzaam te blijven.

4.1. Gedaagde heeft gemotiveerd verzocht de voorlopige voorziening af te wijzen. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat er weliswaar een materieel recht op nadienen bestaat, maar indien er ten gevolge van de grootschalige reorganisatie- en reductiemaatregelen geen functies beschikbaar zijn, dat recht niet kan worden gematerialiseerd.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.

5.2. In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang gelegen. Derhalve komt in het onderhavige geval de vraag in beeld of er een redelijk mate van waarschijnlijkheid is dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure geen stand zal houden. Voor zover in deze procedure een oordeel wordt gegeven over het geschil in de hoofdzaak draagt dat oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

5.3. In de Beleidsnota vrijwillig nadienen militairen is voor elke militair die de voor hem geldende ontslagleeftijd bereikt een materieel recht op nadienen geïntroduceerd. Volgens deze nota wordt iedere aanvraag tot nadienen gehonoreerd en bestaat er een indelingsplicht, er van uitgaande dat de militair instemt met de voorgenomen functietoewijzing. Daarbij nemen nadieners bij het functietoewijzingsproces geen voorkeurspositie in ten opzichte van de overige militairen. Ter zitting heeft gedaagde bevestigd dat dit beleid niet is ingetrokken en evenmin door ander beleid is vervangen. De voorzieningenrechter neemt dit beleid hier dan ook als uitgangspunt.

5.4. De voorzieningenrechter ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of gedaagde de verzoeken tot vrijwillig nadienen heeft mogen afwijzen wegens het niet kunnen toewijzen van functies ten gevolge van de grootschalige reorganisatie- en reductiemaatregelen.

5.4.1. Enerzijds komt het de voorzieningenrechter houdbaar voor dat verzoekers, ondanks dat zij bij functietoewijzing in dezelfde positie verkeren als de overige militairen, op grond van het voornoemde beleid er in beginsel vanuit mochten gaan dat zij met ingang van het bereiken van de voor hen geldende ontslagleeftijd aanspraak mochten maken op functietoewijzing ten behoeve van het vrijwillig nadienen. Anderzijds ziet de voorzieningenrechter evenzeer dat er zich zodanige bijzondere omstandigheden kunnen voordoen dat het belang van gedaagde moet prevaleren boven dat van verzoekers bij het effectueren van die aanspraak. De beoordeling of de noodzaak tot grootschalige personeelsreductie een dergelijke omstandigheid moet worden geacht en of gedaagde overigens in redelijkheid tot zijn - niet op de individuele situatie van verzoekers toegespitste - besluiten heeft kunnen komen, vergt echter een afweging die eerst in de bodemprocedures ten volle kan worden gemaakt.

5.4.2. Gelet op vorenstaande en op de omstandigheid dat verzoekers ter zitting hebben gesteld dat het belang voornamelijk is gelegen in financiële gelijkstelling met nadienende militairen en deze ook op een later tijdstip kan worden verwezenlijkt, ziet de voorzieningenrechter bij afweging van de betrokken belangen onvoldoende reden de gevraagde voorziening te treffen. Hierbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat de Raad naar verwachting op korte termijn uitspraak zal doen in de hoofdzaken.

6. Gezien het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van de Awb niet voor toewijzing in aanmerking komen.

7. Tot slot acht de voorzieningenrechter geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.

Aldus gegeven door mr. A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2005.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) L.N. Nijhuis.

JvS

1502