Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS6562

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2005
Datum publicatie
21-02-2005
Zaaknummer
03/1111 t/m 03/1115 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking strafontslag; hervatting werkzaamheden; Had ontslag op andere gronden moeten worden verleend, onder toekenning van wachtgeld? Recht op vakantiedagen over periode waarin betrokkene ten onrechte was ontslagen; Is betrokkene terecht jubileumuitkering geweigerd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2005/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/1111 t/m 03/1115 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het Dagelijks Bestuur van de Kamer van Koophandel West-Brabant, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 januari 2003, nrs. 01/2101 AW, 01/2113 AW, 02/805 AW, 02/817 AW en 02/1540 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nog nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 januari 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.J.M. van Tongeren, advocaat te Utrecht. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P.F. van Duren, advocaat te

’s-Hertogenbosch, bijgestaan door drs. J.W. Schipper en drs. M.A.J.M. Voeten, beiden werkzaam bij de Kamer van Koophandel West-Brabant.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was sedert 1998 werkzaam bij de Kamer van Koophandel West-Brabant en haar rechtsvoorganger, de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Westelijk Noord-Brabant, aanvankelijk als [naam functie] en nadien als [naam functie 2]. Na problemen rondom ziekmeldingen van appellant is hem onvoorwaardelijk strafontslag verleend per 1 september 2000. Bij uitspraak van de Raad van 1 november 2001, TAR 2002, 25 en LJN AD6401, is de eerdere vernietiging van (het besluit tot handhaving van) dit strafontslag door de rechtbank in stand gelaten. De Raad verwijst ook naar deze uitspraak.

1.2. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft gedaagde bij besluit van 20 november 2001, voorzover hier van belang, het bezwaar tegen het strafontslag alsnog gegrond verklaard en dat ontslagbesluit ingetrokken (besluit 1). Appellant heeft hiertegen beroep ingesteld omdat hij meent dat gedaagde de gegrondverklaring van het bezwaar gepaard had moeten laten gaan met verlening van ontslag op andere gronden, onder toekenning van wachtgeld.

1.3. Appellant is opgedragen met ingang van 22 november 2001 zijn werkzaamheden voor gedaagde te hervatten, aan welke opdracht appellant gevolg heeft gegeven. Bij brief van 28 december 2001 heeft appellant gedaagde verzocht om hem met toepassing van gedaagdes in artikel 61, eerste lid, aanhef en onder g, van het toepasselijke Basisreglement Kamers van Koophandel en Fabrieken (hierna: Basisreglement) neergelegde bevoegdheid, eervol ontslag te verlenen, onder vaststelling van een regeling met betrekking tot het wachtgeld als bedoeld in het derde lid van deze bepaling. Gedaagde heeft dit verzoek geweigerd bij besluit van 27 maart 2002 en deze weigering na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 april 2002 (besluit 2). Tegen dit besluit heeft appellant eveneens beroep ingesteld.

1.4. Op 5 december 2001 heeft appellant gedaagde verzocht om toekenning van vakantiedagen over de periode van september 2000 tot 21 november 2001, waarin hij ten onrechte was ontslagen. Dit verzoek heeft gedaagde bij besluit van 7 december 2001 geweigerd, welke weigering na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 20 maart 2002 (besluit 3).

Hiertegen heeft appellant beroep ingesteld.

1.5. Op 5 maart 2002 heeft appellant gedaagde verzocht hem in aanmerking te brengen voor een jubileumuitkering als bedoeld in artikel 27 van het Basisreglement, wegens het bereiken van een aaneengesloten diensttijd van 25 jaar op 22 maart 2002. Ook dit verzoek is geweigerd, welke weigering na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 5 juli 2002 (besluit 4). Hiertegen heeft appellant beroep ingesteld.

2. De rechtbank heeft - voorzover hier van belang - het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van ieder belang. De beroepen tegen de besluiten 2, 3 en 4 zijn ongegrond verklaard. Appellant heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.

3. Besluit 1

3.1. Appellant meent dat hem bij de aangevallen uitspraak ten onrechte het ontbreken van procesbelang met betrekking tot besluit 1 is verweten. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat het beroep tegen besluit 1 niet geheel samenvalt met het beroep tegen besluit 2, omdat besluit 2 betrekking heeft op een andere, latere, ontslagdatum. Appellant vindt dat reeds op 20 november 2001 sprake was een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie en dat hem per die datum ontslag had moeten worden verleend in plaats dat hij werd gesommeerd zijn werk te hervatten. Hij stelt derhalve belang te hebben bij een oordeel over de situatie op die datum.

3.2. De Raad acht de grief aangaande het procesbelang gegrond, hetgeen betekent dat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal wat dit onderdeel betreft zelf een inhoudelijk oordeel geven, nu de zaak geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft. Beantwoording van de vraag of reeds op

20 november 2001 sprake was van een situatie die ontslag op de door appellant gewenste grond rechtvaardigde, in die zin dat gedaagde niet had mogen nalaten zodanig ontslag te verlenen, zal geschieden onder 4.3. van de hierna volgende overwegingen ten aanzien van besluit 2.

4. Besluit 2

4.1. Ingevolge artikel 61, eerste lid, aanhef en onder g, van het Basisreglement kan een medewerker worden ontslagen op grond van andere dan de daarvoor genoemde, schriftelijk te motiveren gronden waardoor op grond van de redelijkheid en billijkheid het dienstverband dadelijk of in korte tijd behoort te eindigen. Zodanig ontslag wordt steeds eervol verleend en niet dan nadat door de werkgever een regeling is getroffen waarbij aan de betrokken werknemer een uitkering wordt verzekerd die, naar het oordeel van de werkgever met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering mag niet minder bedragen dan de uitkering waarop de medewerker die als gevolg van ontslag onvrijwillig werkloos is ingevolge artikel 63 van het Basisreglement aanspraak heeft.

4.2. Als andere grond zoals hiervoor bedoeld acht appellant aanwezig de onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding tussen hem en de Kamer van Koophandel West-Brabant. Daartoe is gewezen op de voorgeschiedenis van het strafontslag en op het feit dat dit strafontslag naar het oordeel van de Raad ten onrechte aan appellant is verleend. Appellant is derhalve onnodig leed berokkend, waaraan gedaagde ten onrechte geheel voorbij is gegaan, door zonder meer aan te dringen op werkhervatting per 22 november 2002. Appellant heeft weliswaar hervat, maar de bejegening welke hem daarna ten deel is gevallen - blijkend onder meer uit door appellant als pesterijen aangeduide weigeringen neergelegd in de besluiten 3 en 4 - laat naar de mening van appellant duidelijk zien dat sprake is van een onwerkbare situatie. Gedaagde heeft betwist dat voldaan is aan enige grond voor ontslag waarop artikel 61, eerste lid, aanhef en onder g, van het Basis-reglement betrekking heeft.

4.3. Met de vernietiging van het gegeven strafontslag is vastgesteld dat appellant niet op basis van plichtsverzuim had mogen worden ontslagen. In de uitspraak van de Raad van 1 november 2001 is geen oordeel gegeven over enige andere ontslaggrond. Met de rechtbank stelt de Raad dan ook vast dat gedaagde met besluit 1 correct uitvoering heeft gegeven aan zijn eerdere uitspraak. De Raad kan in hetgeen appellant omtrent de situatie op 20 november 2001 naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten vinden voor de vaststelling dat destijds sprake was van onwerkbare verhoudingen die aan voortzetting van het dienstverband in de weg stonden. De Raad onderkent dat bij appellant het gevoel bestond onheus bejegend te zijn; daarvoor bood de uitspraak ook grond. Dat van de zijde van gedaagde geen aanleiding werd gezien voor het maken van enig excuus of gebaar acht de Raad niet gelukkig, maar gedaagde heeft zich naar het oordeel van de Raad in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een streep onder het verleden diende te worden gezet en mocht van appellant werkhervatting verlangen. Dit betekent dat het beroep van appellant tegen besluit 1 ongegrond wordt verklaard.

4.4. De stukken wijzen uit - en appellant heeft dit ook niet ontkend - dat zijn reïntegratie op de werkvloer goed verliep. Appellant is bij zijn terugkomst welkom geheten, hem is een takenpakket toebedeeld en hij is bij zijn werkzaamheden begeleid. Regelmatig zijn met hem gesprekken gevoerd over hoe het ging en uit de weergave van die gesprekken, waaronder een functioneringsgesprek, kan worden afgeleid dat de werkhervatting als zodanig, daaronder begrepen de samenwerking met de collega’s, probleemloos was. Daaruit komt echter tevens naar voren dat appellant het moeilijk vond zich over het verleden heen te zetten. Die gemoedstoestand van appellant bood echter, ook naar het oordeel van de Raad, gegeven de houding van gedaagde, onvoldoende aanknopings-punten voor de conclusie dat voorjaar 2002 sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie. De afwijzing van een tweetal rechtspositionele verzoeken kan daarbij niet anders worden gekenschetst dan als de uiting van een zakelijk verschil van inzicht tussen partijen. Voor de kwalificatie pesterijen ziet de Raad geen enkele grond. Ook anderszins heeft de Raad geen aanwijzingen kunnen vinden dat appellant door zijn werkgever op enige wijze is verhinderd om zijn nieuwe taken goed te vervullen. Daarbij acht de Raad ook van belang dat gedaagde zich bereid heeft getoond om aan appellants wens een andere werkgever te zoeken tegemoet te komen, getuige het in de brief van 14 februari 2002 neergelegde voorstel tot outplacementbegeleiding, waarbij tevens een aantal andere voorzieningen werd aangeboden. Gedaagde heeft daarmee blijk gegeven van een welwillende houding jegens appellant. Onder deze omstandigheden heeft gedaagde terecht geoordeeld dat geen grond bestond voor een ontslag zoals appellant beoogde. Dit betekent dat het hoger beroep ten aanzien van besluit 2 niet kan slagen.

5. Besluit 3

5.1. Gedaagde meent dat appellant geen beroep kan doen op opgebouwde vakantiedagen gedurende de periode van strafontslag, omdat hij in die tijd voor gedaagde geen werkzaamheden heeft verricht en daarvan dus ook niet diende te recupereren, hetgeen de bedoelding is van vakantieverlof.

5.2. Het vakantieverlof is geregeld in hoofdstuk V van het Basisreglement. In artikel 13 is de opbouw van het aantal dagen per kalenderjaar bepaald en in artikel 14 en 15 is nader geregeld de opbouw bij onder andere deeltijd en bij arbeidsongeschiktheid. Artikel 16 behelst de regeling omtrent de opname van het verlof: de verlofdagen worden opgenomen in overleg met de leidinggevende. De Raad heeft, nu geen bepaling is opgenomen over de vakantieopbouw bij non activiteit anders dan als gevolg van ziekte, in het Basisreglement geen rechtsgrond kunnen vinden die gedaagdes standpunt dat appellant geen recht heeft op vakantiedagen kan onderbouwen. De stelling dat appellant geen vakantie toekomt aangezien hij niet van zijn arbeid hoefde te recupereren - nog daargelaten dat gedaagde appellant ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn werkzaamheden te verrichten - zou weliswaar als algemeen uitgangspunt voor het verstrekken van verlof- en vakantiedagen kunnen gelden, maar dat uitgangspunt is niet van dien aard dat het een algemeen verbindend voorschrift als het Basisreglement terzijde kan stellen.

5.3. Gelet hierop kan besluit 3 geen stand houden, evenmin als de aangevallen uitspraak op dit punt. Gedaagde zal een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen, met het oog waarop de Raad opmerkt dat appellant, naar hij ter zitting heeft verklaard, in de van belang zijnde periode 3 weken vakantie heeft genoten. De Raad is van oordeel dat dàt vakantieverlof in dit geval op één lijn gesteld kan worden met verlofopname als bedoeld in artikel 16 van het Basisreglement, zodat van de appellant nog toekomende vakantiedagen 15 dagen dienen te worden afgetrokken.

Besluit 4

6.1. Niet in geschil is dat appellant blijkens de bewoordingen van artikel 27, tweede lid, van het sedert 1 januari 2000 geldende Basisreglement op de door hem aangegeven datum van 22 maart 2002 niet voldoet aan een aaneengesloten diensttijd van 25 jaar; dit zal eerst op 1 mei 2006 het geval zijn. Appellant meent evenwel, met een beroep op de zogenoemde pré-ambule van 22 november 1999 bij het Basisreglement dat bij de berekening van zijn diensttijd niet slechts acht geslagen dient te worden op het tweede lid van artikel 27, maar ook op het voor 1 januari 2000 geldende artikel 28, welke bepaling een ruimere omschrijving van het begrip diensttijd kende.

6.2. De Raad kan appellant hierin niet volgen. De pré-ambule is ondertekend door de delegaties van werknemers en werkgevers die aan de onderhandelingen over het voor de Kamers van Koophandels gemeenschappelijke rechtspositiereglement hebben deelgenomen. De passage in de pré-ambule waarop appellant doelt luidt als volgt. “Door het vaststellen van het basisreglement verandert de rechtspositie van een medewerker niet in negatieve zin, ook niet op onderdelen”. De Raad is met de rechtbank en gedaagde van opvatting dat die in de pré-ambule opgenomen vaststelling een feitelijke constatering betreft en geen algemeen verbindend voorschrift waaraan appellant individuele rechten kan ontlenen. Vast staat voorts dat artikel 28, oud, niet is opgenomen in het bij het Basisreglement behorend addendum, dat bepalingen noemt die in voor de werknemers van gedaagde gunstige zin afwijken van het Basisreglement. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 4 dan ook terecht ongegrond verklaard.

7. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd voorzover daarbij het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk en het beroep tegen besluit 3 ongegrond is verklaard. Voor het overige wordt de uitspraak - voorzover aangevochten - bevestigd. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg met betrekking tot besluit 1 alsmede in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- wegens rechtsbijstand in eerste aanleg en op eveneens € 644,- wegens rechtsbijstand in hoger beroep, derhalve in totaal € 1.288,-

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk is verklaard (nr. 01/2101 AW);

Verklaart dat beroep ongegrond;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen besluit 3 ongegrond is verklaard (nr. 02/817 AW) en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar tegen het besluit van

7 december 2001 met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover overigens aangevochten;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door de Kamer van Koophandel West-Brabant;

Bepaalt dat deze rechtspersoon het door appellant in eerste aanleg in zaak nr. 02/817 AW en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 274,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) L.N. Nijhuis.

HD

31.01

Q