Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS6548

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2005
Datum publicatie
21-02-2005
Zaaknummer
03/4720 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Blijvend gehele weigering WW-uitkering: verwijtbaar werkloos; uit de voorlaatste betrekking is ontslag genomen, zonder dat aan de voortzetting daarvan zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet zou kunnen worden gevergd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/4720 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut werknemersverzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant is door mr. E.J. Postma, juridisch adviseur te Surhuizum, op bij beroepschrift aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 augustus 2003, nr. 02/595 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 januari 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. Postma voornoemd, en waar gedaagde zich, met voorafgaand bericht, niet heeft laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop rustende bepalingen, zoals deze luidden ten tijde hier van belang.

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is van 17 november 1997 tot en met 13 augustus 2001 werkzaam geweest als horecamedewerkster in dienst van [naam werkgever] te [woonplaats] (hierna: [werkgever]). Per laatstgenoemde datum heeft zij ontslag genomen uit deze dienstbetrekking voor onbepaalde tijd. Vervolgens heeft appellante van 21 augustus 2001 tot en met 7 september 2001 via uitzendbureau Randstad gewerkt bij [werkgever 2] te [vestigingsplaats] in de functie van productiemedewerker. Zij heeft deze werkzaamheden gestaakt vanwege ernstige huidklachten. In verband daarmee heeft zij van 8 september 2001 tot en met

31 oktober 2001 een uitkering ontvangen ingevolge de Ziektewet. Per 1 november 2001 is zij hersteld verklaard en heeft zij bij gedaagde een uitkering ingevolge de WW aangevraagd.

1.2. Bij besluit van 3 december 2001 is appellante de WW-uitkering met ingang van 1 november 2001 blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Volgens gedaagde is appellante verwijtbaar werkloos geworden omdat zij uit haar voorlaatste dienstverband bij [werkgever] ontslag heeft genomen, terwijl, aldus gedaagde, redelijkerwijs van haar kon worden verwacht dat zij daar was blijven werken. Gedaagde heeft dat besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 25 april 2002.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 25 april 2002 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad stelt allereerst vast dat, gegeven het feit dat appellante ter zake van haar werkzaamheden via uitzendbureau Randstad geen zelfstandig recht op WW-uitkering had opgebouwd, gedaagde bij de beoordeling van het geldend maken van het recht op uitkering de ontslagname bij [werkgever] heeft mogen betrekken.

3.2. Dienaangaande overweegt de Raad dat appellante op het moment waarop zij ontslag nam geen direct vooruitzicht had op een ander dienstverband en dat zij aldus een aanmerkelijk werkloosheidsrisico heeft genomen. Zoals zij ter zitting heeft toegelicht had zij reeds in de periode voorafgaand aan haar ontslag getracht een ander dienstverband te vinden, maar was dat zonder succes gebleven. Appellante heeft ter zitting toegelicht dat zij zich na het einde van de dienstbetrekking bij [werkgever] heeft ingeschreven bij het uitzendbureau, waaraan zij vervolgens per 21 augustus 2001 de aanstelling bij [werkgever 2] ontleende. Onder deze omstandigheden dient de Raad te toetsen of er zodanige bezwaren waren dat voortzetting van het dienstverband met [werkgever] in redelijkheid niet van appellante kon worden gevergd.

3.3. Appellante heeft als reden voor haar ontslagname bij deze werkgever genoemd dat zij regelmatig ’s avonds moest werken en dan pas zeer laat thuis kwam, waardoor haar privé-leven onder druk kwam te staan. Daarnaast hebben drie overvallen, welke appellante overigens niet persoonlijk heeft meegemaakt, en junks die de snackbar bezochten bij haar angstgevoelens opgeroepen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze omstandigheden geen acute noodzaak vormden om ontslag te nemen uit de dienstbetrekking voor onbepaalde tijd. Appellante heeft voorts geen andere gegevens in geding gebracht waaruit een dergelijke noodzaak blijkt.

3.4. Op grond van deze gegevens is de Raad van oordeel dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden omdat zij uit haar voorlaatste betrekking ontslag heeft genomen, zonder dat aan de voortzetting daarvan zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van haar zou kunnen worden gevergd. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de WW was gedaagde gehouden de WW-uitkering van appellante blijvend geheel te weigeren. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de werkloosheid appellante niet in overwegende mate kan worden verweten.

4. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en uitgesproken in het 17 februari 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) L.N. Nijhuis.