Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS6395

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2005
Datum publicatie
17-02-2005
Zaaknummer
01/1029 WAO + 02/303 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schattingen. Vernietiging van de besluiten vanwege de conclusie van een door de Raad ingeschakelde deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/1029 WAO, 02/303 WAO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Geding 01/1029 WAO

Bij besluit van 29 november 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 september 1998 waarbij gedaagde met ingang van 29 juli 1998 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, aan appellante heeft toegekend.

Bij uitspraak van 23 januari 2001, nr. 99/2381 WAO, heeft de rechtbank Arnhem het beroep van appellante tegen het besluit van 29 november 1999 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante op bij beroepschrift van 8 februari 2001 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 11 april 2001, ingediend.

Geding 02/303 WAO

Bij besluit van 20 april 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 maart 2000 waarbij gedaagde appellante heeft meegedeeld dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid ongewijzigd wordt vastgesteld op 45 tot 55%.

Bij uitspraak van 12 december 2001, nr. 01/840, heeft de rechtbank Arnhem het beroep van appellante tegen het besluit van 20 april 2001 (bestreden besluit II) ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante op bij aanvullend beroepschrift van 28 februari 2002 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 21 maart 2002, ingediend.

Beide gedingen

Bij brief van 19 november 2002 heeft appellante een rapportage van prof. dr. M. Kuilman, psychiater, d.d. 20 oktober 2002, in het geding gebracht.

De bezwaarverzekeringsarts R.T. Hupkens heeft op 4 februari 2003 een reactie gegeven op het rapport van Kuilman, voornoemd.

Kuilman heeft op dat commentaar vervolgens gereageerd bij brief van 19 mei 2003.

Hierop heeft de Raad dr. M. Kazemier, psychiater, verzocht hem als deskundige van verslag en advies te dienen. Deze heeft bij rapport van 17 juni 2004 hieraan voldaan.

De bezwaarverzekeringsarts T.E. Greven heeft op 16 augustus 2004 daarop gereageerd. Kazemier heeft vervolgens op 11 oktober 2004 zijn reactie op het standpunt van Greven, voornoemd, gegeven.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 december 2004, waar partijen -zoals tevoren was bericht- niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Appellante heeft zich op 30 juli 1997 voor haar werkzaamheden als verkoopster gedurende 32 uur per week ziekgemeld in verband met buik- en spanningsklachten.

Op 6 mei 1998 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts S. Audhoe die op basis van de bevindingen bij het onderzoek en overleg met appellantes huisarts appellante in staat achtte tot het verrichten van lichte werkzaamheden gedurende ten hoogste vier uur per dag.

Met inachtneming van het door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon heeft de arbeidsdeskundige J.H. Gerth vier functies geselecteerd die naar zijn mening door appellante konden worden vervuld. Een theoretische schatting bracht de arbeids-deskundige tot de conclusie dat appellante voor 47% als arbeidsongeschikt was te beschouwen.

In overeenstemming hiermee heeft gedaagde appellante bij zijn bij bestreden besluit I gehandhaafde besluit van 10 september 1998 vanaf 29 juli 1998 ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.

Vervolgens is na een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) bij het, bij besluit II gehandhaafde, besluit van 16 maart 2000 door gedaagde aan appellante meegedeeld dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid ongewijzigd wordt vastgesteld op 45 tot 55%.

De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond verklaard onder overweging dat uit de beschikbare medische gegevens moet worden opgemaakt dat appellante niet meer of anders beperkt is te achten dan door gedaagde is vastgesteld. De rechtbank heeft in deze uitspraak (nr. 99/2381) overwogen dat ten aanzien van de psychische klachten acht is geslagen op de in bezwaar voorhanden zijnde informatie uit de behandelende sector. De in beroep overgelegde informatie van de zenuwarts

G.J. Brouwer van 10 mei 2000 en 21 juni 2000 geeft naar het oordeel van de rechtbank een minder duidelijk beeld van de gezondheidstoestand van appellante op 29 juli 1998 dan de rapporten van de verzekeringsarts Audhoe van 6 mei 1998 en de psychiater A. Pen van 25 mei 1998, nu deze informatie is gebaseerd op contacten met appellante in het jaar 2000.

Bij uitspraak nr. 01/480 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond verklaard onder overweging dat niet is gebleken dat in de medische toestand van appellante een wezenlijke verandering is opgetreden ten opzichte van de situatie op 29 juli 1998. In de brieven van zenuwarts Brouwer, voornoemd, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat appellante op psychische gronden verder beperkt is te achten dan gedaagde heeft aangenomen.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij op 29 juli 1998 volledig arbeids-ongeschikt was vanwege haar psychische beperkingen en dat zij sinds die datum ongewijzigd volledig arbeidsongeschikt is gebleven. Zij heeft zich daarbij beroepen op het rapport van 20 oktober 2002 van psychiater Kuilman, die op grond van het door hem verrichte onderzoek de vraag “Welke diagnose stelt u op uw vakgebied?” als volgt heeft beantwoord:

“We worden voornamelijk geconfronteerd met een chronische pijnstoornis. Differentiële diagnose: een door somatisering gekenmerkte aanpassingsstoornis. Voorts darmklachten waarvoor een heroperatie wordt overwogen. (auto-anamnese). Status na knie-operaties in 2001 en 2002. Wat de tweede As van de DSM-IV-TR betreft houd ik een slag om de arm. Derhalve: een uitgestelde diagnose.”

Op de vraag of hij zich kan verenigen met de door de verzekeringsgeneeskundige gestelde beperkingen op zijn vakgebied heeft Kuilman het volgende geantwoord:

“(..) wie zich kan vinden in mijn opvatting over een in de loop van de tijd toegenomen kwetsbaarheid, ontkomt niet aan de vaststelling dat op een zeker moment in het traject tussen 1995 en heden er een omslagpunt moet zijn geweest, een moment waarop onderzochte niet meer met loonvormende arbeid in alle redelijkheid kon worden belast. Persoonlijk heb ik de neiging dat omslagpunt te lokaliseren in de periode gedurende welke zich bij onderzochte naast de lichamelijke klachten ook duidelijke psychische klachten en symptomen zijn gaan manifesteren. En dat is geweest in 1998. In dat verband merk ik op dat onderzochte vanaf februari van dit jaar aanvankelijk vele maanden vergeefs heeft geprobeerd in contact te komen met een psychiater.”

De bezwaarverzekeringsarts Hupkens heeft in zijn commentaar van 4 februari 2003 op het rapport van Kuilman uiteengezet waarom het rapport hem niet kan overtuigen. Hij heeft opgemerkt dat het onwaarschijnlijk is dat bij de aanvang van het optreden van de psychische klachten en symptomen direct al de belastbaarheid zodanig afneemt dat er geen benutbare mogelijkheden ten aanzien van het verrichten van arbeid meer aanwezig zijn.

De psychiater Kuilman heeft in zijn reactie van 19 mei 2003 aangegeven dat er - op grond van de berichtgeving van de behandelend psychiaters - voldoende aanleiding is om aan te nemen dat de veranderingen zich in 1998 zo duidelijk gingen manifesteren dat toen hoogstwaarschijnlijk reeds kon worden gesproken van een onvermogen tot het verrichten van loonvormende arbeid.

De Raad heeft in een en ander aanleiding gevonden de psychiater dr. M. Kazemier als deskundige te benoemen. Deze deskundige heeft in zijn rapport van 17 juni 2004, op basis van door hem verricht onderzoek en na kennisneming van medische informatie van de behandelende sector, geconcludeerd dat er op 28 juli 1998 en 16 maart 2000 sprake was van een nog niet in remissie zijnde depressie in engere zin. Kazemier heeft aangegeven dat de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid per 28 juli 1998 geen rekening houdt met de depressie, dat in alle rapporten wordt voorbijgegaan aan de indicatie van de uterusoperatie, de emotionele verwerkingsproblematiek, de emotionele uitputting in de vorm van een depressie in engere zin en de medicatie. Hij acht appellante op 28 juli 1998 en op 16 maart 2000 niet in staat tot het verrichten van de werkzaamheden zoals door de arbeidsdeskundige omschreven.

In zijn commentaar van 17 augustus 2004 heeft de bezwaarverzekeringsarts Greven beargumenteerd dat het stellen van een diagnose (depressie) niet bepalend is voor de mate van belastbaarheid; terecht is voor appellante de belastbaarheid aangegeven aangezien zij niet voldoet aan de voorwaarden van de Standaard Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden.

Desgevraagd heeft Kazemier in zijn reactie van 11 oktober 2004 gemotiveerd uiteengezet waarom hij in de door de bezwaarverzekeringsarts aangedragen argumenten geen aanleiding ziet om af te wijken van de conclusies, verwoord in zijn eerdere rapportage.

De Raad overweegt dat, in zijn jurisprudentie ligt besloten dat hij het oordeel van een door de bestuursrechter, in dit geval hemzelf, ingeschakelde onafhankelijke deskundige volgt, tenzij er sprake is van omstandigheden die aanleiding geven tot het maken van een uitzondering op deze regel. Zodanige omstandigheden doen zich hier naar het oordeel van de Raad niet voor. Het advies van de door hem als deskundige geraadpleegde psychiater Kazemir berust op een zorgvuldig onderzoek en de conclusies van de deskundige zijn naar behoren medisch onderbouwd. De deskundige heeft voorts het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts op zijn rapport serieus in overweging genomen, waarna hij gemotiveerd heeft uiteengezet op grond waarvan hij tot zijn conclusies is gekomen. Daarbij komt dat, zoals in zijn uitspraak van 13 oktober 2004, nr. 02/3648 WAO (LJN: AR4192) is overwogen, de bestuursrechter bij zijn vaststelling van de feiten niet is gebonden aan de Standaard “Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden”, evenmin als de deskundige die de rechter van advies dient. De Raad is dan ook van oordeel dat de bestreden besluiten berusten op een onjuiste medische grondslag.

Het vorenstaande brengt mee dat de bestreden besluiten alsmede de aangevallen uitspraken waarbij deze besluiten in stand zijn gelaten, dienen te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1288,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Verder dient gedaagde te vergoeden de kosten die appellante heeft gemaakt voor het laten uitbrengen van medische rapporten. De Raad begroot deze kosten op € 37,- voor inlichtingen van psychiater Bohlmeijer en op € 1939,- voor het door psychiater Kuilman uitgebrachte rapport en de kosten van medisch adviseur J.H.C.M. Foucher, alsmede € 78,80 voor de reiskosten die appellante, met haar echtgenoot als begeleider, heeft gemaakt voor het onderzoek van Kuilman. Het totaalbedrag van te vergoeden proceskosten bedraagt derhalve € 3.986,80.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;

Verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten van 29 november 1999 en van

20 april 2001 alsnog gegrond en vernietigt deze besluiten;

Bepaalt dat gedaagde nieuwe beslissingen op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 3.986,80, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 214,19 (€27,23 + € 77,14 in zaak 01/1029 en € 27,23 + € 82,59 in zaak 02/303) dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.

MH