Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS6261

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2005
Datum publicatie
16-02-2005
Zaaknummer
03/470 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Juistheid medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

03/470 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 12 november 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat appellante na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 14 november 2001, minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Gedaagde heeft het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar bij besluit van 26 juni 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank Breda heeft het door mr. F.M. Heltzel, advocaat te Tilburg, ingestelde beroep tegen het besluit van 26 juni 2002 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 6 december 2002, 02/1431 WAO, ongegrond verklaard.

De gemachtigde van appellante heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden, met bijlagen, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft van verweer gediend.

De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 24 november 2004 nog een aantal stukken ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 januari 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar tolk S. Sevück Omur, en waar namens gedaagde is verschenen mr. K.M. Nouws, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de Raad de volgende voor zijn oordeelsvorming in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante was werkzaam als productiemedewerkster in tweeploegendienst via een uitzendbureau bij een tuinderij voor gemiddeld 38 uur per week, toen zij op 14 november 2000 uitviel voor dit werk met lichamelijke en psychische spanningsklachten, waaronder hyperventilatie, nek- en hoofdpijn en knieklachten. In het kader van de beoordeling van haar aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO in aansluiting op het einde van de wettelijke wachttijd heeft de verzekeringsarts

J. Schepman appellante op 28 augustus 2001 onderzocht. Blijkens zijn rapport van 28 augustus 2001 is bij appellante sprake van psychische spanningsklachten met begeleidende lichamelijke spanningsverschijnselen in de vorm van nek-, schouder- en armklachten, alsmede van gevoelens van duizeligheid met bij het onderzoek enige aanwijzingen voor orthostatische hypotensie. Volgens Schepman zijn er aanwijzingen voor een afgenomen psychische spanningsboog bij structurele psychosociale problematiek, onder het beeld van een surmenage met licht depressieve ondertoon zonder verder duidelijke aanwijzingen voor ernstige psychopathologie of ernstige somatische afwijkingen. Voor appellante gelden, aldus Schepman, beperkingen voor mentaal stresserende factoren en zware belasting van de nek-, schouder en armgordel. Schepman legde deze bevindingen vast in het handgeschreven FIS-formulier van 28 augustus 2001, hetgeen uitwerking vond in het belastbaarheidspatroon van 29 oktober 2001. Aan de hand hiervan en op basis van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 29 oktober 2001 heeft de arbeidsdeskundige J.A.M. Baart-van Stekelenburg blijkens haar rapport van 8 november 2001 een aantal functies geselecteerd en, uitgaande van het uurloon in de middelste van de drie hoogste verlonende van die functies, het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 5,69%. Vervolgens heeft gedaagde het primaire besluit van

14 november 2000 genomen.

In de bezwaarprocedure heeft appellante haar klachten toegelicht en ter hoorzitting van 12 april 2002 ook haar moeilijke persoonlijke en sociale situatie uiteengezet. De bezwaarverzekeringsarts D. Ubbink heeft een brief van 13 mei 2002 ontvangen van de maatschappelijk werkster T. Themen van de GGZ Midden-Brabant met informatie omtrent de ambulante behandeling van appellante bij deze instelling. In deze brief is sprake van een ernstige depressieve stoornis, een post-traumatische stressstoornis en partner-relatieproblemen. Voorts is gewezen op psycho-somatische klachten en is ingegaan op de psychosociale en omgevingsproblemen van appellante. Ubbink heeft blijkens zijn rapport van 3 juni 2002 kennis genomen van deze informatie en heeft vastgesteld dat er geen nieuwe medische gegevens zijn, die niet reeds door Schepman zijn meegewogen. Er zijn dan ook volgens Ubbink geen aanwijzingen op objectief medische gronden om het primaire besluit te wijzigen. Vervolgens handhaafde gedaagde bij het bestreden besluit het primaire besluit.

In beroep heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat zij met haar klachtenpatroon de geduide functies niet kan vervullen. Appellante heeft een veelheid van psychische problemen, waarvoor zij verschillende medicijnen gebruikt en kan niet onder tijdsdruk en in een drukke omgeving werken. De gemachtigde van appellante heeft voorts aan de rechtbank een brief van de huisarts van 18 september 2002 overgelegd, welke informatie bevat over de door appellante gebruikte medicijnen en waarin de huisarts heeft aangegeven zich niet competent te achten een oordeel te geven over de stellingname van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige, zoals door de gemachtigde was verzocht. Tevens heeft de gemachtigde van appellante bij brief van 24 oktober 2002 informatie van de behandelend oefentherapeut Cesar aan de rechtbank overgelegd.

De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Op grond van de stukken is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat vanwege gedaagde niet te geringe medische beperkingen zijn vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank gewezen op het onderzoek van Schepman en Ubbink, alsmede op de informatie van Themen. Voorts heeft de rechtbank aandacht gevraagd voor de hiervoor genoemde brief van de huisarts. Uit die informatie, waarin ook wordt gewezen op de behandeling van appellante bij de GGZ, voornoemd, heeft de rechtbank afgeleid dat de klachten van appellante deels worden veroorzaakt door de sociale omstandigheden van appellante en dat deze niet tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van voldoende objectief medische gronden als bedoeld in de WAO om meer beperkingen aan te nemen ten aanzien van de psychische belastbaarheid dan zijn neergelegd in het belastbaarheidspatroon van appellante. De rechtbank heeft voorts de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Daarbij heeft de rechtbank onder andere gewezen op de toelichting van Schepman van 15 januari 2002 op enkele overschrijdingen van de belastbaarheid in de geduide functies.

Naar aanleiding van het hoger beroep van appellante stelt de Raad voorop dat ter zitting door haar gemachtigde desgevraagd is verklaard dat zij, gezien ook het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank op 28 oktober 2002 en het verweerschrift van gedaagde in hoger beroep, haar in het hoger beroepschrift voorgedragen grief dat de rechtbank niet zonder meer de in een laat stadium overgelegde brief van de oefentherapeute Cesar had mogen passeren, niet langer handhaaft en dat de grieven van appellante uitsluitend zien op het inhoudelijk oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit.

De Raad heeft in de gedingstukken en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten gevonden om wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. De Raad wijst er op dat uit de in hoger beroep overgelegde informatie van de huisarts van 11 februari 2004 blijkt dat bij cardiologisch onderzoek geen afwijkingen zijn gevonden en dat de behandelend neuroloog blijkens zijn brief van 3 november 2003 naar aanleiding van klachten van appellante van collapsen in de laatste tijd geen aanwijzingen voor epilepsie vond en het waarschijnlijk achtte dat sprake was een vorm van hyperventilatie, waarmee appellante al tijden bekend is. Voor het overige bevat de brief van de huisarts geen nieuwe informatie inzake de gezondheidstoestand van appellante omtrent de datum in geding. Voorts heeft de gemachtigde van appellante aangegeven dat de brief van de oefentherapeut Cesar van 3 februari 2004 een bevestiging is van de eerder door haar verstrekte informatie. Verder kan er naar het oordeel van de Raad niet aan worden voorbijgezien dat de gemachtigde van gedaagde ter zitting, naar aanleiding van de stelling van de gemachtigde van appellante dat ten onrechte geen beperkingen zijn gesteld ter zake van de benauwdheid en hyperventilatie van appellante, heeft aangevoerd dat door Schepman daarmee alsmede met de hypotensie rekening is gehouden met het aannemen van beperkingen op de onderdelen 8 (kortcyclisch buigen en torderen) en 27 (persoonlijk risico). Deze verklaring van de gemachtigde van gedaagde komt de Raad, gezien ook de betreffende aantekeningen bij deze onderdelen op het handgeschreven FIS-formulier, niet onjuist voor.

De Raad heeft voorts, gelet op de hiervoor genoemde toelichting op de overschrijdingen in de geduide functies en ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht, geen aanleiding gezien het oordeel van de rechtbank omtrent de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit rechtens voor onjuist te houden.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak

Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2005.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.R.H. van Roekel.