Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS5656

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2005
Datum publicatie
10-02-2005
Zaaknummer
03/2039 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen lichamelijke en/of psychische aandoening is vastgesteld op grond waarvan, gemeten naar de vereiste objectieve maatstaf, er sprake is van beperking van voltijds verrichten van arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/2039 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 22 februari 2001 heeft appellant geweigerd aan gedaagde met ingang van 15 mei 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat het verzuim van gedaagde geen verband houdt met ziekte of gebrek.

Appellant heeft het tegen dit besluit namens gedaagde gemaakte bezwaar bij besluit van 25 juni 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank Assen heeft het namens appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 25 juni 2002 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 13 maart 2003, 02/654 WAO, gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen met inachtneming van haar uitspraak opnieuw op het bezwaarschrift van gedaagde te beslissen, een en ander met bijbehorende beslissingen omtrent vergoeding aan gedaagde van proceskosten en griffierecht.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 23 juni 2003 heeft mr. P. de Casparis, advocaat te Zoetermeer, zich als opvolgend gemachtigde van gedaagde gesteld en zij heeft bij brief van 21 juli 2003 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 december 2004, waar namens appellant is verschenen W. Höppener, werkzaam bij het UWV, terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

II. MOTIVERING

Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de Raad de volgende voor zijn oordeelsvorming in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Gedaagde was voltijds werkzaam als socio-therapeutisch medewerker in een justitiële inrichting toen hij op 29 maart 2000 voor dit werk uitviel met onder andere gewrichts-, spier-, rug- en moeheidsklachten. Op 14 augustus 2000 heeft gedaagde zijn werkzaamheden voor 4 dagen per week hervat. De verzekeringsarts G. van den Brandhof heeft gedaagde op 8 februari 2001 onderzocht en heeft in zijn rapport van 19 februari 2001 onder andere verslag gedaan van de anamnese en het dagverhaal. Van den Brandhof had de beschikking over informatie van de huisarts, die in zijn brief van 13 februari 2001 het beloop van de klachten sinds 1995 beschreef en melding maakte van een verwijzing voor een reumatologisch consult, en van de reumatologen dr. F. Speerstra en M.D. Posthumus. De beide laatstgenoemde medici vermeldden in hun brieven van 16 juni 1999 en 19 april 2000 de diagnose fibromyalgie en de vaststelling dat de functies van de gewrichten goed waren, zij het dat Speerstra iets beperkte rotaties van de cervicale wervelkolom aangaf en Posthumus drukpijn op de spieraanhechtingen meldde. Van den Brandhof concludeerde dat er op basis van deze informatie en zijn eigen onderzoek geen duidelijke fysieke of psychische basis aanwijsbaar is voor de klachten en beperkingen van gedaagde. Zijns inziens is er dan ook geen sprake van aan ziekte of gebrek te relateren beperkingen. Vervolgens nam appellant het primaire besluit van 22 februari 2001. De bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans onderschreef in zijn rapport van 12 juni 2002 de conclusies van Van den Brandhof en stelde vast dat er geen medische redenering kan worden opgebouwd waarom gedaagde op woensdag niet zou kunnen werken en dat er geen arbeidsongeschiktheid dient te worden aangenomen als direct objectief gevolg van ziekte of gebrek. Vervolgens handhaafde appellant bij het bestreden besluit het primaire besluit.

Naar aanleiding van het beroep van gedaagde, waarbij werd gewezen op een tweetal uitspraken van de Raad van elk 16 augustus 2000 (USZ 2000/234 en RSV 2000/228 onderscheidenlijk USZ 2000/235 en RSV 2000/229), en gelet op de door de rechtbank gevraagde reactie van de bezwaarverzekeringsarts R.M.A.G. Brouns van 8 november 2002, wees de rechtbank onder vermelding van de essentie van artikel 3 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten er op dat uit de door gedaagde genoemde jurisprudentie van de Raad valt af te leiden dat “niet slechts doorslaggevend moet worden geacht in hoeverre geconstateerde klachten en verschijnselen objectief medisch gezien vallen aan te merken als ziekte of gebrek, maar dat eveneens rekening dient te worden gehouden met de aanwezigheid van een logische samenhang van stoornissen, beperkingen of handicaps welke een feitelijke belemmering voor het verrichten van arbeid opleveren.” Voorts overwoog de rechtbank:

“De rechtbank is niet gebleken dat verweerders verzekeringsartsen helemaal geen medische beperkingen aanwezig achtten. Zij zijn evenwel blijven steken bij de -op zichzelf correcte- vaststelling dat sprake is van een niet objectiveerbare aandoening. Nu de verzekeringsartsen de opvatting hebben gehuldigd dat de klachten van eiser reeds daarom buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat het daarbij niet zou kunnen gaan om ziekte of gebrek als bedoeld in de WAO, hebben zij naar het oordeel van de rechtbank dusdoende de hierboven aangegeven bepalingen in het Schattingsbesluit miskend. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eisers klachten door twee verschillende specialisten uit de reguliere gezondheidszorg zijn onderzocht en vastgesteld, waarbij op consistente wijze de diagnose fibromyalgie is gesteld. De rechtbank is mitsdien van oordeel dat ten onrechte is nagelaten eisers klachten c.q. beperkingen te verwerken in een belastbaarheidspatroon.”.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de Raad volgens vaste jurisprudentie juist ook in het geval van een moeilijk objectiveerbare aandoening als fibromyalgie de objectiveringseis stringent hanteert en hiervan slechts in zeer bijzondere gevallen afwijkt, hetgeen meebrengt dat een beroep op fibromyalgie als oorzaak voor arbeidsongeschiktheid uitsluitend gebaseerd op de ernst van de ondervonden en geuite klachten op zichzelf niet tot het aannemen van ongeschiktheid voor het verrichten van arbeid kan leiden. Voorts stelde appellant onder andere het volgende:

“Wij zijn van oordeel dat nu de rechtbank de vereiste consistentie reeds aanwezig acht nu een tweetal medisch deskundigen het klachtenpatroon van betrokkene benoemt als fibromyalgie, daarmee een consistentie aanwezig wordt geacht die naar ons oordeel niet relevant is ten aanzien van de geclaimde arbeidsongeschiktheid en dat aldus de jurisprudentie van uw Raad onjuist wordt toegepast.

Voort merken wij op dat wij de rechtbank niet kunnen volgen in de stelling dat niet is gebleken dat de verzekeringsartsen helemaal geen beperkingen aanwezig achten. Met het oog daarop verwijzen wij kortheidshalve naar de rapportage van de heer Van den Brandhof (gedingstuk 7), die in zijn advies ondubbelzinnig uitspreekt dat hij op grond van zijn bevindingen tijdens een eigen onderzoek moet concluderen dat er geen sprake is van beperkingen en dus uitdrukkelijk aangeeft dat er geen sprake is van beperkingen. De bezwaar adviserend verzekeringsarts Hofmans bevestigt in gedingstuk 15 dat de onderzoeksmethodiek van Van den Brandhof zorgvuldig is geweest en dat diens oordeel geen bijstelling behoeft. Tenslotte heeft Brouns op 8 november 2002 het medisch advies van zijn voorgangers op een naar ons oordeel correcte wijze getoetst aan de jurisprudentie van uw Raad en is daarbij tot de slotsom gekomen dat de jurisprudentie onvoldoende ruimte laat om betrokkene als arbeidsongeschikt aan te merken.”.

Gedaagde heeft de uitspraak van de rechtbank onderschreven en zijn in eerste aanleg verwoorde standpunt in essentie herhaald.

De Raad is van oordeel dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen en ook gedaagde blijkens het verweerschrift met de verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 16 augustus 2000 (USZ 2000/234 en RSV 2000/228) kennelijk van mening is, zich hier, gelet op de inhoud van de rapporten van Van den Brandhof en Hofmans, zoals deze in eerste aanleg en in hoger beroep van de zijde van appellant nader zijn toegelicht, niet de situatie voordoet dat bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek de klachten in verband met een niet objectiveerbare aandoening van gedaagde reeds buiten beschouwing zijn gelaten omdat het daarbij niet zou kunnen gaan om ziekte of gebrek als bedoeld in de WAO. De Raad overweegt in dit verband dat volgens zijn vaste rechtspraak van arbeidsongeschiktheid slechts sprake is als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. Het geheel van de omtrent gedaagde beschikbare medische gegevens, zowel die van verzekeringsgeneeskundige aard als die afkomstig van in dit geval de huisarts en de reumatologen Speerstra en Posthumus, in ogenschouw nemend, constateert de Raad met appellant dat bij gedaagde geen lichamelijke en/of psychische aandoening is vastgesteld op grond waarvan, gemeten naar de vereiste objectieve maatstaf, zou dienen te worden aangenomen dat ten aanzien van hem ten tijde van de datum in geding sprake was van enige wezenlijke op ziekte of gebrek terug te voeren beperking ten aanzien van het voltijds verrichten van zijn arbeid. Door Speerstra en Posthumus zijn bij hun onderzoek, dat door Van den Brandhof en Hofmans mede in de verzekeringsgeneeskundige beoordeling is betrokken, geen objectiveerbare afwijkingen aangetroffen, behoudens de door Speerstra gevonden iets beperkte rotaties van de cervicale wervelkolom. Voor zover door Speerstra en Posthumus de diagnose fibromyalgie is gesteld, is zulks geschied bij ontstentenis van enige andere oorzaak welke kan dienen ter verklaring van gedaagdes klachten, in verband waarmede moet worden vastgesteld dat die diagnosestelling uitsluitend berust op het subjectieve klachtenpatroon van gedaagde. In het licht van de hiervoor vermelde rechtspraak, waarbij de Raad ook nog verwijst naar zijn uitspraak van 23 oktober 2003 (RSV 2004/4), vormt dit evenwel een ontoereikende basis voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. De Raad heeft voorts in aanmerking genomen dat, gelet op alle beschikbare medische gegevens, in dit geval ook geen aanknopingspunten bestaan dat bij gedaagde sprake zou kunnen zijn van het bijzondere geval waarin een toereikende objectieve vaststelling van gedeeltelijke ongeschiktheid tot werken niet geheel valt uit te sluiten om reden dat bij de medische deskundigen, - in dit geval de huisarts, alsmede Speerstra en Posthumus - een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat gedeeltelijke ongeschiktheid tot werken als gevolg van ziekte of gebrek voldoende aannemelijk is. In het vorenoverwogene ligt reeds besloten dat de Raad zich evenmin kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat appellant in strijd heeft gehandeld met artikel 3 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

Uit al het vorenstaande volgt dat de Raad het verzekeringsgeneeskundig oordeel van Van den Brandhof en Hofmans inzake het kunnen werken van gedaagde op ook woensdag kan onderschrijven, zodat het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, in rechte stand kan houden. Het hoger beroep slaagt derhalve met het gevolg dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep tegen het bestreden besluit ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2005.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.W. Engelhart.