Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS5654

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
10-02-2005
Zaaknummer
02/5409 WW + 02/5408 WW + 02/5410 TW + 02/5411 TW + 02/5412 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diverse besluiten intrekking en terugvordering. Omvang werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/5409 WW + 02/5408 WW + 02/5410 TW + 02/5411 TW + 02/5412 ZW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. L. de Widt, advocaat te Enschede, op bij aanvullend beroepschrift -met bijlagen- aangegeven gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank [vestigingsplaats] op 20 september 2002, nrs. 01/769 WW, 01/770 TW, 01/771 WW, 01/772 WW en 02/194 ZW, gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 december 2004, waar appellant in persoon is verschenen met bijstand van mr. P.J.C. Garrels, advocaat te Enschede, als opvolgend gemachtigde, terwijl gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat de in deze gedingen aan de orde zijnde geschillen worden beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW), de Toeslagenwet (TW) en de Ziektewet (ZW), en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is op basis van een arbeidsovereenkomst van 3 januari 1994 tot en met 3 december 1995 werkzaam geweest als productiemedewerker bij [naam B.V.] te [vestigingsplaats]. Met ingang van 4 december 1995 is aan appellant een WW-uitkering toegekend op basis van een arbeidsurenverlies van 36 per week. Op 1 januari 1996 is appellant gaan werken als uitbener bij [naam V.O.F.] te [vestigingsplaats] (verder: werkgever of [naam werkgever]) voor twee dagen per week in een omvang van

14,4 uur. Over de periode 3 maart 1997 tot en met 16 maart 1997 en de periode 27 november 1997 tot en met 18 januari 1998 is appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de ZW. Met ingang van 4 december 1998 is aan appellant een toeslag op zijn WW-uitkering toegekend ingevolge de TW. De arbeidsverhouding met [naam werkgever] is met ingang van 1 januari 2000 beëindigd en de WW-aanvraag van appellant die daarop volgde, heeft geleid tot een fraudeonderzoek. Uit de door appellant ingevulde 4-weken verklaringen WW betrekking hebbend op de periode 1 januari 1996 tot 1 januari 1999 was namelijk gebleken dat appellant een afwijkend aantal gewerkte arbeidsuren heeft ingevuld ten opzichte van zijn eerdere mededeling dat hij 14,4 uur zou werken. Over de periode van 1 januari 1999 tot 1 januari 2000 had appellant in het geheel geen werkzaamheden vermeld. De Opsporingsdienst van de GUO Uitvoeringsinstelling Divisie Ondernemingen te Gouda, Team Noord-Oost, heeft een onderzoek ingesteld naar de omvang van de door appellant verrichte werkzaamheden. In dit verband zijn appellant, zijn echtgenote, zijn werkgever en voorts nog een viertal getuigen door een opsporings-functionaris gehoord. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek heeft gedaagde geconcludeerd dat appellant vanaf 1 januari 1996 tenminste 32 uur per week heeft gewerkt.

Hierop heeft gedaagde op 28 december 2000 een viertal besluiten genomen inzake de WW en de TW.

Bij het eerste besluit heeft gedaagde appellant meegedeeld dat met ingang van 1 januari 1996 de uitkering ingevolge de WW geheel wordt beëindigd, omdat is gebleken dat appellant vanaf die datum tenminste 32 uur per week heeft gewerkt en derhalve niet meer werkloos was in de zin van de WW. Bij het tweede besluit is het besluit van 2 december 1998 tot toekenning van een toeslag op grond van de TW ingetrokken en is die toeslag met ingang van 4 december 1998 alsnog geweigerd omdat appellant met ingang van die datum geen recht heeft op een loondervingsuitkering. Bij het derde besluit is het als gevolg van de beëindiging van het recht op WW-uitkering over de periode 1 januari 1996 tot en met 31 december 1999 onverschuldigd betaalde bedrag ter hoogte van f 96.012,76 (€ 43.568,89) van appellant teruggevorderd. Bij het vierde besluit heeft gedaagde over de periode van 4 december 1998 tot en met 31 december 1999 de onverschuldigd betaalde toeslag van f 9.534,92 (€ 4.326,78) van appellant teruggevorderd.

Het tegen het eerste besluit van 28 december 2000 gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 augustus 2001 (hierna: besluit 1) ongegrond verklaard. De bezwaren tegen het tweede, derde en vierde besluit van 28 december 2000 zijn bij besluiten van eveneens 14 augustus 2001(hierna: respectievelijk besluit 2, besluit 3 en besluit 4) ongegrond verklaard. Gedaagde is ervan uitgegaan, dat appellant bij een werkweek van gemiddeld 32 arbeidsuren, geen vijf arbeidsuren per week heeft verloren en, subsidiair, dat appellant niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden, zodat hij derhalve met ingang van 1 januari 1996 niet werkloos was in de zin van de WW.

Bij besluit van 11 oktober 2001 heeft gedaagde de aan appellant over de periode van 3 maart 1997 tot en met 16 maart 1997 en van 27 november 1997 tot en met 18 januari 1998 betaalde uitkering ingevolge de ZW van hem teruggevorderd. Bij besluit op bezwaar van 25 januari 2002 (hierna: besluit 5) heeft gedaagde het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Gedaagde heeft hiertoe overwogen dat appellant met ingang van 1 januari 1996 op grond van artikel 7, aanhef en onder a, van de ZW niet langer verzekerd was ingevolge de ZW.

De rechtbank heeft de beroepen tegen de vijf bestreden besluiten ongegrond verklaard.

In hoger beroep betoogt appellant dat de verschillende verklaringen van personen die werkzaam zijn geweest bij [naam werkgever] en de verklaring van directeur [naam werkgever] zelf, opgenomen door de buitendienstmedewerker van het GUO, duidelijk aantonen dat hij gemiddeld niet meer dan 28 uur per week heeft gewerkt in de periode 1 januari 1996 tot 1 januari 1999 en in het jaar 1999 niet meer dan gemiddeld 16 uur per week.

De Raad overweegt als volgt.

Besluit 1.

Periode 1 december 1996 tot 1 januari 1999.

Met de rechtbank ziet de Raad in de voorhanden zijnde gegevens, op zich en in onderlinge samenhang bezien, voldoende steun voor het oordeel dat gedaagde terecht heeft aangenomen dat appellant in voormelde periode in een zodanige omvang werkzaamheden heeft verricht dat er geen sprake is geweest van een relevant arbeidsurenverlies op grond waarvan appellant als werkloos in de zin van artikel 16, lid 1, aanhef en onder a, van de WW moet worden beschouwd. De Raad heeft daarbij acht geslagen op het door gedaagde verrichte opsporingsonderzoek en in het bijzonder op de tijdens dat onderzoek afgelegde verklaringen. De Raad wijst allereerst op de verklaring van appellant, die tegenover de opsporingsfunctionaris heeft bekend dat hij niet al zijn werkzaamheden en inkomsten heeft opgegeven aan gedaagde.

Appellant heeft verklaard dat hij in deze periode in principe vijf dagen per week werkte en dat hij naast zijn loon, een zwart loon ontving van f 15,-- per uur. Uit de verklaring van de echtgenote van appellant blijkt dat zij de werkzaamheden van appellant schatte op gemiddeld 30 tot 32 uur per week. Verder heeft zij verklaard dat appellant dikwijls hele dagen werkte en wekelijks, naast het loon dat hij via de bank ontving, met een contante loonbetaling van f 250,-- tot f 300,-- thuiskwam. Getuige en ex-werknemer [getuige], die met appellant samenwerkte in de periode tot 31 oktober 1997, verklaarde dat appellant altijd met de uitbeenploeg meewerkte die ’s ochtends tussen 6.00 of 7.00 uur begon en die eindigde tussen 13.00 en 14.00 uur. Ook ’s middags werkte appellant als er nog uitgebeend moest worden en zonodig maakte hij gehakt of hakte hij karbonaden. Volgens [getuige] kwam het erop neer dat appellant in ieder geval 35 tot 36 arbeidsuren per week werkte. Daarnaast heeft de getuige [naam getuige], ex-keurmeester bij het RVV, die tot 1 januari 1999 om de drie weken een volledige week vanaf 8.00 uur in het slachthuis [naam werkgever] aanwezig was, verklaard dat appellant naar zijn mening deel uit maakte van de complete werkploeg en dat hij appellant naar zijn berekening op 30 uur per week heeft zien werken. Tenslotte verklaarde de werkgever dat appellant over het algemeen op vijf dagen van de week in het slachthuis werkzaam was.

Appellant heeft betoogd dat hij in voornoemde perioden op niet meer dan 28 uur per week werkzaam is geweest. De Raad overweegt hieromtrent dat appellant zijn stelling niet aannemelijk heeft gemaakt. Voorzover anderszins getwijfeld zou moeten worden aan de betrouwbaarheid van de door gedaagde gemaakte schatting van het aantal arbeidsuren van appellant kan deze niet in het voordeel van appellant werken, nu appellant de op hem rustende mededelingsverplichting niet is nagekomen. Verder kan gedaagde niet worden tegengeworpen dat schattenderwijs tot het aantal gewerkte uren is gekomen nu door appellant geen controleerbare gegevens zijn verstrekt.

Periode van 1 januari 1999 tot 1 januari 2000.

Anders dan gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat met betrekking tot deze periode onvoldoende gegevens voorhanden zijn om te concluderen dat appellant in zodanige omvang heeft gewerkt dat hij geen recht heeft op een WW-uitkering. Het onderzoek door de opsporingsfunctionaris heeft, zoals ter zitting van de Raad ook namens gedaagde is erkend, met betrekking tot deze periode slechts gegevens opgeleverd die aanknopingspunten bieden voor het standpunt dat appellant 16 uur per week heeft gewerkt. Door er in besluit 1 vanuit te gaan dat appellant ook in 1999 gemiddeld 32 uur per week werkte mist dat besluit een voldoende deugdelijke feitelijke grondslag. Gedaagdes standpunt dat appellant niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden kan naar het oordeel van de Raad evenmin stand houden. Gedaagde heeft niet onderzocht of appellant zich in deze periode daadwerkelijk niet beschikbaar heeft gehouden voor arbeid, terwijl voorts uit appellants verklaring tegenover gedaagdes opsporingsambtenaar blijkt dat zijn streven erop was gericht om full-time in dienst te komen bij [naam werkgever]. Gedaagde zal een nieuw besluit moeten nemen, gebaseerd op een aantal gewerkte uren van 16.

Besluit 2.

Periode van 1 januari 1996 tot 1 januari 1999.

Gelet op hetgeen bij besluit 1 is overwogen met betrekking tot voormelde periode is de Raad van oordeel dat het besluit voorzover het de weigering van toeslag ingevolge de TW over deze periode betreft in stand kan blijven, omdat niet aan de voorwaarden van artikel 2 van de TW wordt voldaan.

Periode van 1 januari 1999 tot 1 januari 2000.

Het besluit komt wat de ontzegging van het recht op toeslag ingevolge de TW aan appellant betreft over voormelde periode voor vernietiging in aanmerking, omdat appellant over die periode wel aan de voorwaarden van artikel 2 van TW voldoet. Gedaagde zal onder toepassing van artikel 11 van de TW appellants recht op toeslag alsnog moeten vaststellen.

Besluit 3 en 4

Periode 1 januari 1996 tot 1 januari 1999.

De Raad stelt vast dat appellant gelet op de desbetreffende werkbriefjes niet volledig melding heeft gemaakt van de door hem gewerkte uren, zodat door zijn toedoen over de periode 1 januari 1996 tot 1 januari 1999 ten onrechte WW-uitkering en toeslag is betaald.

Gedaagde was wat de periode tot 1 augustus 1996 betreft bevoegd en wat de periode na 1 augustus 1996 tot 1 december 1999 betreft gehouden de onverschuldigd betaalde uitkeringen en toeslag terug te vorderen.

Van omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat van bedoelde bevoegdheid niet in redelijkheid gebruik is gemaakt dan wel van dringende redenen op grond waarvan gedaagde had moeten afzien van terugvordering is de Raad niet gebleken.

Periode 1 januari 1999 tot 1 januari 2000.

Gelet op hetgeen bij besluit 1 en 2 is overwogen met betrekking tot voormelde periode is de Raad van oordeel dat de besluiten tot terugvordering van de gehele WW-uitkering en de toeslag over deze periode niet in stand kunnen blijven. Gedaagde zal terzake nadere besluiten moeten nemen.

Besluit 5.

Nu de Raad tot het oordeel is gekomen dat appellant met ingang van 1 januari 1996 geen recht had op een uitkering ingevolge de WW was appellant vanaf die datum niet langer verzekerd ingevolge de ZW. Appellant had dan ook geen recht op uitkering ingevolge die wet. Het besluit van 25 januari 2002 waarbij van appellant ingevolge artikel 33 van de ZW over de periode 3 maart 1997 tot en met 16 maart 1997 en de periode 27 november 1997 tot en met 18 januari 1998 uitkering ingevolge de ZW is teruggevorderd tot een bedrag van € 2.747,93, kan dan ook in stand blijven.

De Raad acht in verband met het vorenoverwogene termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beide instanties. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,-- voor rechtsbijstand in hoger beroep.

Uit het vorenstaande vloeien de volgende beslissingen voort.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij de besluiten 1, 2, 3 en 4 in stand zijn gelaten;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt de besluiten 1, 2, 3 en 4, voorzover deze betrekking hebben op de periode van

1 januari 1999 tot 1 januari 2000;

Bepaalt dat gedaagde nieuwe besluiten neemt betreffende de toepassing van de WW en de TW ten aanzien van die periode, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt gedaagde in de kosten van appellant begroot op € 1.288,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het gestorte recht van in totaal € 219,91

(f 240,-- + € 29,-- + € 82,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.