Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS5272

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2005
Datum publicatie
08-02-2005
Zaaknummer
04/220 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening van een vóór de wijziging van art. 3:2 Wuv per 15-7-94 afgewezen aanvraag om gelijkstelling met de vervolgde o.g.v. van 2e generatie-problematiek door een persoon die tijdens de oorlogsjaren werd geboren. Betekenis van na 15-7-94 door verweerster gevoerd begunstigend beleid voor de door de CRvB aan te leggen toetsingsmaatstaf.

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 3, geldigheid: 2005-01-27
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 61, geldigheid: 2005-01-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

04/220 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 16 december 2003, kenmerk JZ/B70/2003/1016, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In aanvullende beroepschriften is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadien nog ingezonden een door de psychiater prof. H. Dasberg opgesteld expertiserapport van november 2004.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 december 2004, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door W. van Arend te Amsterdam. Verweerster heeft zich, met voorafgaand bericht, ter zitting niet doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 23 december 1993 heeft verweerster afwijzend beslist op een aanvraag van eiser (geboren in 1944) van maart 1993, die onder meer - voorzover thans van belang - ertoe strekte om als zogenoemd 2e generatie-oorlogsslachtoffer met toepassing van artikel 3, tweede lid, oud, van de Wet met een vervolgde te worden gelijkgesteld. Daartoe is overwogen dat de psychische klachten van eiser niet in overwegende mate verband houden met de vervolging van zijn vader.

Eiser heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt, zodat dit tussen partijen rechtens verbindend is geworden.

In april 2003 heeft eiser zich gewend tot verweerster met verzoek om hem in verband met zijn vanwege 2e generatie- problematiek verder verslechterde gezondheid alsnog voor een uitkering op grond van de Wet in aanmerking te brengen.

Dit verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 17 november 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op gronden ontleend aan artikel 61, tweede lid, van de Wet.

Eiser heeft ook in beroep erop gewezen dat zijn gezondheid in de loop der tijd als gevolg van het oorlogsgedrag van zijn ouders sterk is verslechterd met alle gevolgen vandien voor, onder meer, arbeid en relaties. Voorts is aangevoerd dat hij ten tijde van zijn eerdere aanvraag niet goed in staat was om zijn belangen te behartigen.

Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen door en namens eiser in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Die vraag beantwoordt de Raad op de hierna volgende gronden bevestigend.

Verweerster heeft het verzoek van eiser van april 2003 terecht aangemerkt als een verzoek om herziening van haar eerdere, hiervoor vermelde besluit van 23 december 1993, voorzover dit betrof de weigering om eiser op grond van zogenoemde 2e generatie-problematiek met de vervolgde gelijk te stellen.

De Raad neemt hierbij mede in aanmerking dat gelijkstelling op grond van (uitsluitend) die problematiek als gevolg van een wijziging van de Wet per 15 juli 1994 niet meer mogelijk is, terwijl het door verweerster nadien op dit punt nog gevoerde, begunstigende beleid ten aanzien van personen die vóór de bevrijding werden geboren per 1 januari 2002 is beëindigd. Hieruit volgt ook dat de huidige gezondheidstoestand van eiser door verweerster niet in de beoordeling kon worden betrokken.

Ingevolge artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is van discretionaire aard, hetgeen betekent dat verweerster bij de uitoefening daarvan een ruime beleidsvrijheid toekomt.

Dat brengt mee dat de Raad het bestreden besluit slecht terughoudend kan toetsen.

Verweerster heeft het onderhavige verzoek om herziening afgewezen, onder overweging dat niet is gebleken dat aan de afwijzing van eisers eerdere aanvraag aperte, haar verwijtbare fouten ten grondslag hebben gelegen. Naar in het verweerschrift nader is toegelicht, is deze maatstaf voor eiser gaan gelden ingaande 1 januari 2002, met ingang van welke datum het bovengenoemde beleid ten aanzien van personen die vóór de bevrijding zijn geboren werd beëindigd.

De Raad is, overeenkomstig zijn vaste rechtspraak in zaken van personen die na de oorlog zijn geboren, van oordeel dat verweerster ook gerechtigd is verzoeken om herziening als het onderhavige aan deze maatstaf te toetsen.

Voorts heeft de Raad in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanknopingspunt gevonden om de opvatting van verweerster dat in dit geval van zodanige fouten niet is gebleken, voor onjuist te houden. De door eiser aangevoerde redenen waarom hij destijds geen bezwaar heeft gemaakt betreffen geen omstandigheden die aan verweerster zijn tegen te werpen. Ook aan het door eiser in beroep nog ingezonden rapport van prof. Dasberg - dat bovendien de huidige gezondheidstoestand van eiser betreft - kan de Raad niet ontlenen dat bij de eerdere beoordeling door verweerster - waaraan eveneens een medisch onderzoek van eiser ten grondslag lag - zeer ernstige, verwijtbare fouten zijn gemaakt. De enkele omstandigheid dat

prof. Dasberg blijkens het nu ingediende rapport over de oorzaak van eisers psychische klachten een andere visie heeft, is voor een zodanige, vergaande, conclusie ontoereikend.

Gezien het vorenstaande kan niet worden gezegd dat het bestreden besluit de door de Raad te hanteren terughoudende toets niet kan doorstaan. Voor vernietiging van dat besluit bestaat derhalve geen grond.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2005.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.