Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS5190

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
08-02-2005
Zaaknummer
02/4812 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Juistheid oordeel over belastbaarheid en de daaraan gekoppelde voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/4812 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. A. Barada, advocaat te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 1 augustus 2002, reg.nr. AWB 99/2851 WAO, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 december 2004, waar voor appellant is verschenen mr. A. Barada, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. R.A. Sowka, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

De feiten die in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming. De Raad voegt daaraan toe dat anders dan in die uitspraak is vermeld, de Raad op 7 mei 1999 in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 oktober 1997 heeft bevestigd, waarmee de intrekking van appellants WAO-uitkering met ingang van 15 mei 1996 in rechte is komen vast te staan.

Bij besluit van 6 mei 1998 is aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 7 mei 1997 een WAO-uitkering krijgt, berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 11 februari 1999 (het bestreden besluit) in die zin gegrond verklaard dat met ingang van 7 mei 1997 aan appellant een WAO-uitkering wordt toegekend berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%, welke uitkering met ingang van 12 februari 1999 wordt verlaagd naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%.

Het onderhavige geschil gaat over de vraag of de aan appellant toegekende WAO-uitkering terecht met ingang van

12 februari 1999 is herzien en berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%.

Op verzoek van de rechtbank is appellant op 4 juli 2001 onderzocht door psychiater J. Rübsaam. Deze deskundige is van oordeel dat op 7 mei 1997 voor appellant geen beperkingen golden ten aanzien van het verrichten van arbeid als rechtstreeks gevolg van een psychiatrische aandoening. Hij kan zich verenigen met het door de verzekeringsarts op 21 juli 1997 opgestelde belastbaarheidspatroon en acht de voorgehouden functies geschikt. Bij brief van 4 april 2002 heeft psychiater Rübsaam desgevraagd meegedeeld dat hij geen aanwijzingen heeft kunnen vinden dat de psychische conditie van appellant in de afgelopen jaren essentiële veranderingen heeft ondergaan, zodat zijn bevindingen ook gelden voor

12 februari 1999. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de conclusies van deze deskundige voor onjuist te houden, en is tevens van oordeel dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit eveneens in rechte stand kan houden en heeft het beroep ongegrond verklaard.

In (hoger) beroep verwijst appellant naar de brief van 27 oktober 1999 van maatschappelijk werkster K. Chahid en psychiater W. van der Plaats, beiden werkzaam bij de Riagg Amsterdam Oost; zij denken dat er sprake is van een chronisch depressief syndroom, stemmingsklachten en mogelijk een gestagneerd rouwproces. Appellant is het niet eens met de conclusies van psychiater Rübsaam. Het is volgens hem onduidelijk welke informatie deze deskundige heeft ingewonnen bij de behande- lende artsen en er is volgens appellant geen verklaring te vinden voor zijn afwijkende mening ten opzichte van de brieven van de Riagg van 6 mei 1998 en 27 oktober 1999. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling is appellant van mening dat de geduide functies niet passend zijn. Appellant meent dat de functie van aardappelsorteerder, die in de plaats is getreden van de functie samensteller, volgens het rapport van 8 oktober 1999 van de bezwaarverzekeringsarts niet geschikt is. Er blijven volgens appellant onvoldoende functies over om tot een goede schatting te kunnen komen.

Gedaagde is van mening dat het onderzoek van de onafhankelijk deskundige psychiater Rübsaam zorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 8 oktober 1999 gaat het opgestelde belastbaarheids- patroon de belasting van appellant niet te boven. Ten aanzien van de functie aardappelsorteerder heeft de bezwaarverzekeringsarts volgens gedaagde slechts aangegeven dat het medicijngebruik van appellant hem verder zou kunnen beperken ten aanzien van het aspect klimmen, klauteren en persoonlijk risico en deze functie zou kunnen afvallen.

Bij de resterende functies hoeft niet te worden geklommen en/of geklauterd en is het persoonlijk risico (indien aanwezig) niet van dien aard dat deze functies daardoor niet geschikt zouden zijn. Zodoende blijven er volgens gedaagde voldoende andere functies over.

De Raad oordeelt als volgt.

Evenals de rechtbank kent de Raad doorslaggevende betekenis toe aan het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Rübsaam. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze onafhankelijke en onpartijdige deskundige zijn oordeel heeft gebaseerd op eigen onderzoek van appellant, de in het dossier aanwezige op appellant betrekking hebbende stukken, informatie van de behandelende sector en de anamnese van appellant.

De conclusie van Rübsaam sluit volgens de Raad aan bij de informatie die de bezwaarverzekeringsarts destijds heeft ingewonnen bij het Lucas ziekenhuis waar appellant van 21 april 1997 tot 16 mei 1997 was opgenomen wegens slaapproblemen en waar na observatie van appellant tijdens dit verblijf geen depressieve kenmerken en aanpassingsstoornissen zijn waargenomen.

Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling stelt de Raad vast dat door de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 23 april 2002 meerdere functies zijn geselecteerd. Ook als de functies van sorteerder aardappelen en samensteller zouden afvallen, blijven er nog voldoende functies over om tot een indeling te kunnen komen in de arbeidsongeschiktheids- klasse van 25 tot 35%.

Gebleken is bovendien dat appellant op grond van de berekening van het verlies van verdiencapaciteit in het voornoemde rapport van 23 april 2002 met een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25-35% zeker niet te kort is gedaan.

Vorenstaande betekent dat de rechtbank het bestreden besluit op goede gronden in stand heeft gelaten.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.