Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS5183

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-01-2005
Datum publicatie
08-02-2005
Zaaknummer
02/917 AAW/WAO + 02/1333 AAW/WAO + 04/3640 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toetsing nieuwe feiten en/of omstandigheden bij herhaalde aanvraag, alsmede toetsing toegenomen arbeidsongeschiktheid.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6, geldigheid: 2005-01-14
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43a, geldigheid: 2005-01-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/917 AAW/WAO + 02/1333 AAW/WAO + 04/3640 WAO

UITSPRAAK

in de gedingen tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats],

en

de Raad van bestuur van bet Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder Uwv tevens verstaan het Lisv.

Partijen zijn op bij aanvullende beroepschriften (met bijlagen) aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Amsterdam tussen hen onder dagtekening 17 december 2001 gegeven uitspraak (reg. nr.: AAWAO 99/912), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Uwv en [betrokkene] hebben respectievelijk bij brieven van 24 april 2002 en 17 mei 2002 (met bijlage) van verweer gediend.

[betrokkene] heeft voorts bij brieven van 5 april 2004,12 april 2004 en 13 april 2004 aanvullend stukken van medische aard ingezonden. Uwv heeft dit gedaan bij faxbericht van 13 april 2004.

De bij de Raad aanhangige gedingen, geregistreerd onder nr. 02/917 AAWAVAO en 02/1333 AAWAVAO, zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 april 2004, waar [betrokkene] in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden mr. P.F.A.B. Vos en G.M. Dikkenberg, respectievelijk advocaat en arts in ruste te Amsterdam, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.G. Rasterhoff, werkzaam bij het Uwv.

Omdat de Raad van oordeel was, dat het onderzoek niet volledig is geweest, is dit heropend.

Bij brief van 26 april 2004 heeft [betrokkene] de gronden waarop het beroep rust nader aangevuld.

Bij brieven van 9 juli 2004 heeft de Raad partijen ervan in kennis gesteld dat hij bij de behandeling van voormelde gedingen tevens een oordeel zal geven over een door Uwv ten aanzien van [betrokkene] genomen besluit van 18 september 2003.

Partijen hebben vervolgens nog stukken ingezonden.

De gedingen zijn opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 december 2004, tezamen met het geding, geregistreerd bij de Raad onder nr. 04/3640 WAO. [betrokkene] is aldaar verschenen bij zijn gemachtigden mr. Vos en de arts Dikkenberg, voornoemd, en gedaagde is verschenen als ter zitting van 23 april 2004.

II. MOTIVERING

[betrokkene] is na een eerdere arbeidsongeschiktheidsperiode vanwege maag- en rugklachten, ter zake waarvan hij uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft ontvangen, via uitzendbureau Randstad op 7 augustus 1989 als produktiemedewerker gaan werken. Per

4 december 1989 heeft hij zich met rugklachten ziek gemeld. Tijdens deze ziekteperiode is hem in juni 1990 een auto-ongeval overkomen waarbij hij een contusio cerebri opliep alsmede diverse fracturen. Aansluitend aan de wettelijke wachttijd van 52 weken zijn aan hem opnieuw uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 30 oktober 1992 heeft een van de rechtsvoorgangers van Uwv deze uitkeringen met ingang van 1 december 1992 ingetrokken. De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 21 juni 1994 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 18 februari 1997 het verzet van [betrokkene] tegen zijn uitspraak van 19 juni 1996, waarbij zijn hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard, ongegrond verklaard.

Namens [betrokkene] is bij brief van 2 mei 1998 aan Uwv herziening van zijn AAW/WAO-uitkering verzocht. Bij besluit van

5 maart 1999 heeft Uwv met toepassing van artikel 43 a van de WAO op dit verzoek afwijzend beslist, op de grond dat bij [betrokkene] geen sprake was van toegenomen medische beperkingen uit dezelfde oorzaak ter zake waarvan hij arbeidsongeschiktheidsuitkeringen had ontvangen. Bij het thans bestreden besluit op bezwaar van 18 mei 1999 heeft Uwv deze afwijzing gehandhaafd, zij het dat Uwv het verzoek van 2 mei 1998 tot herziening alsnog heeft opgevat als een verzoek om terug te komen van het intrekkingsbesluit van 30 oktober 1992 en, daarop beslissende, daarvoor geen gronden aanwezig heeft geacht.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de weigering van Uwv om terug te komen van het besluit van 30 oktober 1992 in stand gelaten, maar tevens als haar oordeel gegeven dat Uwv ten onrechte bij het bestreden besluit niet op het bezwaar van [betrokkene] had beslist tegen de in het primaire besluit van 5 maart 1999 vervatte afwijzing van het verzoek van [betrokkene] om hem in verband met sedert 1 december 1992 toegenomen arbeidsongeschiktheid een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. De rechtbank heeft Uwv opgedragen alsnog in bezwaar hieromtrent een besluit te nemen.

Beide partijen zijn van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Het beroep van [betrokkene] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de weigering van Uwv terug te komen van het besluit van 30 oktober 1992. Het beroep van Uwv is, zoals ter zitting van 23 april 2004 is gepreciseerd, uitsluitend gericht tegen de door Uwv als bindend aangemerkte overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het in bezwaar te nemen besluit omtrent de door [betrokkene] gestelde toename van zijn arbeidsongeschiktheid na 1 december 1992.

Mede ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft Uwv bij op bezwaar genomen besluit van 18 september 2003 besloten dat [betrokkene] binnen een termijn van vijf jaar na 1 december 1992 niet toegenomen arbeidsongeschikt is te achten als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid voortsproot ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten.

De Raad overweegt allereerst dat het hoger beroep van Uwv ontvankelijk is, nu dit is gericht tegen hem bindende overwegingen in de aangevallen uitspraak.

Voorts overweegt de Raad dat de gedingen in hoger beroep zich op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19 juncto 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uitstrekken over het nieuwe ter uitvoering van de aangevallen uitspraak gegeven besluit van 18 september 2003.

De Raad ziet het hoger beroep van [betrokkene], gericht tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de weigering van Uwv terug te komen van het besluit van 30 oktober 1992, geen doel treffen.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in voile omvang te heroverwegen. Bewoordingen strekkend van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Ter ondersteuning van zijn beroep heeft appellant aangevoerd dat ten onrechte bij de vaststelling van het aan het besluit van 30 oktober 1992 ten grondslag liggende belastbaarheidspatroon van 23 april 1992 geen rekening is gehouden met medische beperkingen als gevolg van de door het hem overkomen auto-ongeval ontstane contusio cerebri en de daaropvolgende periode dat hij in coma heeft gelegen. Voorts is aangevoerd dat daarbij geen rekening gehouden is met de in 1997 gediagnosticeerde Morbus Bechterew, waarvan de verschijnselen ook toen al aanwezig waren.

Ten aanzien van de contusio cerebri overweegt de Raad dat het daarbij niet gaat om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De verzekeringsgeneeskundige M. Boot heeft bij brief van 17 augustus 1990 aan de toenmalige Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) reeds melding gemaakt van onder meer de omstandigheid dat [betrokkene] na een aanrijding met zijn auto tegen een boom een paar dagen in coma had gelegen, een hersenschudding had met veel hoofdpijn en de daarbij behorende klachten. Ook is melding gemaakt van een beschadigd linkeroog, van dubbelzien en niet goed kunnen lezen en TV kijken. De GMD-verzekeringsgeneeskundige A. Haver heeft in zijn rapport van 25 oktober 1990 onder meer melding gemaakt van duizeligheidsklachten, hoofdpijn en vergeetachtigheid.

Aldus moet de Raad vaststellen dat de bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid betrokken verzekeringsarts op de hoogte was van het [betrokkene] bij het auto-ongeval overkomen hoofdletsel en de daarvan ondervonden gevolgen. Dat uit de van de zijde van [betrokkene] overgelegde medische gegevens van zijn ziekenhuisopname valt te ontlenen dat sprake was van een contusio cerebri en niet van een hersenschudding laat onverlet dat de door [betrokkene] ondervonden klachten aan de betrokken verzekeringsarts bekend waren. Daaraan doet de omstandigheid niet af dat in het door de verzekeringsarts opgestelde Fis-scoreformulier van 23 april 1992, dat niet aan de toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, maar aan de intrekking ervan ten grondslag heeft gelegen, met geen andere beperkingen rekening is gehouden dan die als gevolg van rug- en beenklachten.

Ten aanzien van de door [betrokkene] gestelde rugklachten als gevolg van Morbus Bechterew overweegt de Raad dat het hier op zichzelf gaat om nieuw gebleken feiten en omstandigheden. De Raad acht het op grond van de beschikbare medische gegevens wel aannemelijk dat [betrokkene] al eerder dan in 1997, toen bij hem voor het eerst de diagnose Morbus Bechterew werd gesteld, daaraan lijdende was, wellicht zelfs vanaf 1988. Anderzijds stelt de Raad vast dat bij [betrokkene] onder meer vanwege zijn van voor het ongeval al daterende rugklachten in het Fis-scoreformulier van 23 april 1992 beperkingen zijn aanvaard. Aan de Raad is niet aannemelijk gemaakt en hem is ook anderszins niet op grond van de thans in ruime mate voorhanden zijnde medische gegevens kunnen blijken dat de toen geldende rugbeperkingen niet juist zijn vastgesteld. De Raad ontleent aan het rapport van de verzekeringsarts Haver van 23 april 1992 dat deze beperkingen kennelijk op geleide van de klachten van [betrokkene] zijn aangenomen en derhalve ongeacht de daaraan ten grondslag liggende ziekteoorzaak.

Het hiervoor overwogene in aanmerking nemend kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat Uwv niet in redelijkheid zijn besluit heeft kunnen handhaven om niet terug te komen van het besluit van 30 oktober 1992 dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

De aangevallen uitspraak komt in zoverre deels op andere gronden voor bevestiging in aanmerking.

Het hoger beroep van Uwv, gericht tegen voormelde bindende overwegingen in de aangevallen uitspraak, ziet de Raad deels doel treffen, maar dit kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak gelet op hetgeen de Raad hierna zal overwegen in het beroep dat gericht wordt geacht tegen het besluit van 18 september 2003.

De Raad wijst erop dat aan het rapport van 25 oktober 1990 van de verzekeringsarts Haver valt te ontlenen dat [betrokkene] ten gevolge van het hem overkomen auto-ongeval nog dermate ernstige beperkingen had dat hij nog niet met arbeid belastbaar was en dat hem in verband hiermee bij besluit van 22 maart 1991 met ingang van 5 december 1990 arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zijn toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Naar hiervoor al is overwogen heeft de verzekeringsarts in dit rapport melding gemaakt van de door [betrokkene] ondervonden duizeligheidsklachten, hoofdpijn en vergeetachtigheid. Voorts was deze verzekeringsarts door de verzekerings-arts Boot ervan in kennis gesteld dat sprake was van een coma van een paar dagen na het ongeval. Gelet hierop moet de Raad aannemen dat het gehele klachtenbeeld zoals dit zich na het ongeval heeft ontwikkeld naar het oordeel van de verzekeringsarts Haver zodanige beperkingen opleverde dat [betrokkene] niet met arbeid belastbaar was en dat deze vaststelling aan de toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ten grondslag heeft gelegen.

Voorts overweegt de Raad, dat het begrip “dezelfde oorzaak” in het hier toepasselijke artikel 43 a, eerste lid, van de WAO ruim moet worden uitgelegd in die zin dat bij twijfel of sprake is van arbeidsongeschiktheid uit de dezelfde oorzaak de balans ten voordele van de betrokkene dient door te slaan.

De Raad ontleent met inachtneming van dit toetsingskader aan het rapport van 17 maart 1999 van de psycholoog

drs. V.M. Buitenrust Hettema, in samenhang met het rapport van 19 juli 1999 van de neuroloog J.P.M. Hillegers en het schrijven van 19 maart 2003 van de klinisch psycholoog/neuropsycholoog prof. Dr. B. Schmand, voldoende aanwijzingen dat [betrokkene] na 1 december 1992 als gevolg van een organische-cerebrale beschadiging door het hem overkomen auto-ongeval een forse achteruitgang in cognitieve functies ondervindt en dat zijn medische beperkingen, vergeleken met het Fis-scoreformulier van 23 april 1992 waarin daarmee geen rekening is gehouden, daardoor zijn toegenomen.

Ten aanzien van de datum met ingang waarvan de medische beperkingen van [betrokkene] zijn toegenomen volstaat de Raad met de constatering, mede gelet op het verhandelde ter zitting en de dienaangaande gedane mededelingen van de arts Dikkenberg, waaraan de Raad niet twijfelt, dat die toename zich al gemanifesteerd moet hebben voor 29 december 1995, de datum dat artikel 43a van de WAO in werking is getreden. Eventuele toekenning van WAO-uitkering in verband met de toename van de medische beperkingen kan op grond van dit artikel niet eerder plaatsvinden dan met ingang van die datum.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit van 18 september 2003, waarbij op grond van artikel 43 a van de WAO de afwijzing van de aanvraag tot toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering is gehandhaafd, voor vernietiging in aanmerking komt. Uwv zal met inachtneming van het hiervoor overwogene een nieuw besluit op het bezwaar dienen te nemen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb Uwv te veroordelen in de proceskosten van [betrokkene] in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 966,- voor verleende rechtsbijstand, op € 10,80 voor reiskosten in verband met het bezoek van [betrokkene] aan de zitting van 23 april 2004, op € 372,- ter zake van neuro-psychologisch onderzoek en op € 250,- ter zake van advisering door prof. dr. B. Schmand.

De gevraagde veroordeling van Uwv in de kosten van de arts Dikkenberg wijst de Raad af. Hoewel de Raad oog heeft voor de grote inzet waarmee deze arts [betrokkene] heeft bijgestaan en het tijdsbeslag van 252 uur dat met deze bijstand gemoeid is geweest de Raad niet onaannemelijk voorkomt, bestaat er geen mogelijkheid de daarvoor tot een bedrag van € 35.580,- gevraagde vergoeding ten laste van Uwv toe te wijzen. In dit verband heeft de Raad overwogen dat de arts Dikkenberg niet kan worden aangemerkt als een derde die beroepsmatig rechtsbij stand verleent en evenmin als een gemachtigde als bedoeld in artikel 1 onder f, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Er valt geen wettelijk voorschrift aan te wijzen dat in deze gedingen verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat Uwv een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in

's Raads uitspraak is overwogen;

Verklaart het tegen het besluit van 18 September 2003 gericht geachte beroep gegrond;

Vernietigt dit besluit;

Veroordeelt Uwv in de proceskosten van [betrokkene] in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.598.80, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan [betrokkene] het betaalderecht van € 82,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. DJ. van der Vos en mr. HJ. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.E. Meijer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.