Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS4936

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2005
Datum publicatie
04-02-2005
Zaaknummer
03/1687 WSF en 03/5484 WSF
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht geweigerd aan betrokkene een basisbeurs en een OV-studentenkaart toe te kennen voor de opleiding Bos- en Natuurbeheer en is terecht de toekenning van studiefinanciering in de vorm van tempobeurs voor appellantes studie Bouwkunde herzien?

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000 2.16, geldigheid: 2005-01-21
Wet studiefinanciering 2000 10.4, geldigheid: 2005-01-21
Wet studiefinanciering 2000 11.5, geldigheid: 2005-01-21
Wet studiefinanciering 2000 5.16, geldigheid: 2005-01-21
Wet studiefinanciering 2000 7.1, geldigheid: 2005-01-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2005, 83

Uitspraak

03/1687 WSF en 03/5484 WSF

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellante], thans wonende te [woonplaats], appellante,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellante heeft mr. A.M.L. Josten, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gegeven uitspraak van de rechtbank Breda van 26 februari 2003, nr. AWB 2002/815 WSFBSF, en tegen de tussen partijen gegeven uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 9 oktober 2003, nr. AWB 2002/623 WSFBSF. De gronden van deze beroepen zijn aangevoerd bij beroep-schriften van 3 april 2003 en 3 november 2003.

Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 december 2004. Aldaar is appellante verschenen bij mr. Josten, voornoemd. Gedaagde heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. M. Wiersma, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 september 1994 is aan appellante, die is geboren op 3 december 1975, in verband met een studie Bouwkunde aan de Hogeschool ’s-Hertogenbosch studiefinanciering toegekend in de vorm van een tempobeurs en een OV-studentenkaart.

Bij wijzigingsformulier van 24 juli 2001 is door appellante aan gedaagde meegedeeld dat zij haar studie Bouwkunde per 31 augustus 2001 beëindigt en zij zich met ingang van het studiejaar 2001-2002 ingeschreven heeft bij Helicon Opleidingen te Velp voor een 3-jarige middenkaderopleiding Bos- en Natuurbeheer. Appellante heeft daarbij verzocht om haar voor deze (middelbare) beroepsopleiding een basisbeurs en een OV-studenten-kaart toe te kennen. Dit verzoek is nadien nog enkele malen door appellante herhaald. Zij heeft in dit verband aangegeven dat ze ten gevolge van tijdens haar studie Bouwkunde toegenomen structurele medische beperkingen genoodzaakt was om deze studie in het eindexamenjaar te staken en dat zij zich in overleg met haar decaan en afstudeerbe-geleider heeft ingeschreven voor een passender opleiding in het beroepsonderwijs.

Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 8 maart 2002 onder verwijzing naar artikel 2.16 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) geweigerd om appellante vanaf september 2001voor haar opleiding Bos- en Natuurbeheer een basisbeurs en een OV-studentenkaart toe te kennen en is de toekenning van studiefinanciering in de vorm van tempobeurs voor appellantes studie Bouwkunde herzien over de periode september 2001 tot en met december 2001. Daarbij is het bedrag aan tempobeurs dat appellante te veel ontvangen heeft, teruggevorderd en is een vordering wegens het niet tijdig inleveren van de OV-studentenkaart vastgesteld van € 544,56.

Verder is bij besluit van 3 mei 2002 door gedaagde geweigerd direct dan wel analoog toepassing te geven aan artikel 5.16, vierde lid, van de WSF 2000. Daartoe is overwogen dat appellante haar studie in het hoger onderwijs is begonnen vóór 1 september 1996, zodat zij niet onder het regime van de prestatiebeursregeling valt, maar onder het regime van de tempobeursregeling, welke regeling niet voorziet in de mogelijkheid een nieuwe aanspraak op studiefinanciering toe te kennen indien een studerende door toegenomen structurele medische beperkingen genoodzaakt is om een reeds aangevangen studie in het hoger onderwijs te staken en kiest voor een passender opleiding.

Het bezwaar dat door appellante is ingediend tegen het besluit van 3 mei 2002 en het besluit van 8 maart 2002 is bij besluit van 1 juli 2002 (hierna: het bestreden besluit I) respectievelijk bij besluit van 1 mei 2003 (hierna: het bestreden besluit II) door gedaagde ongegrond verklaard.

De beroepen van appellante tegen het bestreden besluit I en het bestreden besluit II zijn bij uitspraak van 26 februari 2003 door de rechtbank Breda respectievelijk bij uitspraak van 9 oktober 2003 door de rechtbank ’s-Hertogenbosch ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich hiermee niet kunnen verenigen en heeft in hoger beroep in essentie haar reeds eerder naar voren gebrachte standpunt herhaald dat het onredelijk is om haar geen studiefinanciering toe te kennen voor de opleiding Bos- en Natuurbeheer, aangezien zij ten gevolge van tijdens haar studie Bouwkunde toegenomen structurele medische beperkingen genoodzaakt was om deze studie te staken en zij een kans verdient om een opleiding te volgen die zij ondanks haar medische beperkingen kan voltooien. Verder is door appellante aangegeven dat zij door haar medische beperkingen niet in staat is om naast haar studie met arbeid een inkomen te verwerven, dat haar een bijstanduitkering is geweigerd en dat haar moeder onverplicht (extra) is gaan werken om de studie van appellante te bekostigen. Appellante heeft haar standpunt onderbouwd met een verklaring gedateerd 13 maart 2002 van H.P.W.M. van de Graaf, studentendecaan bij de Hogeschool ’s- Hertogenbosch, een verklaring gedateerd 29 maart 2002 van appellantes huisarts J.H. van der Horst-Schrier en verklaringen gedateerd 14 december 2001 en

16 september 2002 van appellantes longarts H.M.M. Pouwels.

De Raad overweegt als volgt.

In artikel 2.16 van de WSF 2000, gelezen in samenhang met artikel 10.4, onder b, van die wet, is bepaald dat studerenden geen aanspraak hebben op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding in het (middelbaar) beroepsonderwijs, indien zij reeds 4 jaren, dan wel in het geval van een (ex) tempobeursstudent reeds 5 jaren, studiefinanciering hebben genoten voor het volgen van een opleiding in het hoger onderwijs.

Uit de stukken leidt de Raad af dat gedaagde het aantal jaren studiefinanciering in de vorm van een tempobeurs waarop appellante normaliter aanspraak kon maken voor haar studie Bouwkunde aan de Hogeschool ’s-Hertogenbosch - op grond van artikel 17a, lid 7, van de Wet op de studiefinanciering - eenmalig met 12 maanden heeft verlengd tot 6 jaren en dat appellante deze studiefinancieringsduur in de periode september 1994 tot en met augustus 2001 volledig heeft verbruikt. Dit betekent dat het standpunt van gedaagde dat appellante geen aanspraak heeft op studiefinanciering voor haar opleiding Bos- en Natuurbeheer in het (middelbaar) beroepsonderwijs in overeenstemming is met artikel 2.16 van de WSF 2000.

Appellante moet echter met hetgeen zij reeds bij haar aanvraag heeft aangevoerd, geacht worden te hebben verzocht om artikel 2.16 van de WSF 2000 op grond van artikel 11.5 van die wet buiten toepassing te laten.

Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

In artikel 11.5 van de WSF 2000 is aan de Informatie Beheer Groep de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Deze zogenoemde hardheidsclausule biedt niet de mogelijkheid om een uitzondering te maken op een in de WSF 2000 opgenomen wettelijke bepaling, indien de onverkorte toepassing van deze wettelijke bepaling in het concrete geval in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet.

In de Memorie van Toelichting bij artikel 2.16 van de WSF 2000 (Kamerstukken II, 26873, nr. 3, blz. 35-36) is vermeld dat dit artikel is bedoeld om een ‘vluchtweg’ af te snijden van het hoger onderwijs naar het beroepsonderwijs. Ter verduidelijking is daarbij aangegeven dat - als artikel 2.16 daar niet aan in de weg zou staan - studerenden die hun recht op gemengde studiefinanciering voor hoger onderwijs hebben verbruikt geen beroep hoeven te doen op de vervolglening voor het hoger onderwijs (zoals geregeld in art. 5.2, lid 3, en artikel 10.3, lid 3, van de WSF 2000) indien zij zich inschrijven voor een studie in het beroepsonderwijs waarvoor geen maximale gemengde studiefinan-cieringsduur geldt.

Dat het de uit de wetsgeschiedenis kenbare bedoeling van de wetgever is om, wat de aanspraken op studiefinanciering betreft, door middel van artikel 2.16 van de WSF 2000 een ‘vluchtweg’ van het hoger onderwijs naar het (middelbaar) beroepsonderwijs te blokkeren, betekent naar het oordeel van de Raad niet dat gedaagde niet bevoegd is om dit wetsartikel in geval van bijzondere omstandigheden buiten toepassing te laten.

Daartoe overweegt de Raad allereerst dat in artikel 5.16, vierde lid, van de WSF 2000 is bepaald dat indien een studerende als direct gevolg van een tijdens de studie verworven handicap, ten gevolge van een zich tijdens de studie verergerende handicap of ten gevolge van een zich tijdens de studie manifesterende chronische ziekte genoodzaakt is een reeds begonnen opleiding te beëindigen, deze studerende bij keuze voor een passender opleiding nieuwe aanspraak ontvangt op studiefinanciering. Onder deze bijzondere omstandigheden wordt aldus in voorkomend geval artikel 2.16 van de WSF 2000 buiten toepassing gelaten, zodat moet worden aangenomen dat indien zulke omstandigheden zich voordoen er geen sprake is van een beroep op het studiefinan-cieringsstelsel dat de wetgever met artikel 2.16 heeft willen voorkomen.

Verder ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om waar studerenden ten gevolge van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 5.16, vierde lid, van de WSF 2000 genoodzaakt zijn om een reeds aangevangen studie in het hoger onderwijs te staken en zij kiezen voor een passender opleiding, ten principale onderscheid te maken tussen studerenden die vallen onder het regime van de prestatiebeursregeling en studerenden die vallen onder het regime van de tempobeursregeling, zij het dat in het ene geval een directe toepassing is geïndiceerd van artikel 5.16, vierde lid, van de WSF 2000 en in het andere geval een analoge toepassing daarvan op grond van artikel 11.5 van die wet.

In dit verband overweegt de Raad dat uit niets kan worden afgeleid dat de wetgever er welbewust voor heeft gekozen om in de in hoofdstuk 10 van de WSF 2000 neergelegde regeling inzake de tempobeurs geen met artikel 5.16, vierde lid, van de WSF 2000 op één lijn te stellen specifieke regeling op te nemen, terwijl er wèl aanwijzingen zijn dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om (ex) tempobeursstudenten de rechten te onthouden die door (ex) prestatiebeursstudenten aan deze specifieke regeling kunnen worden ontleend. Het vierde lid van artikel 5.16 van de WSF 2000 is, als ‘Fremdkörper’, in de wet geïnsereerd door aanvaarding van een amendement van de kamerleden Rabbae en Hamer (Kamerstukken II, 26873, nr. 42). In de toelichting op dit amendement is in algemene termen aangegeven dat een vangnetregeling gewenst is voor studerenden die door toegenomen structurele medische beperkingen genoodzaakt zijn om een reeds aangevangen studie in het hoger onderwijs te staken. Zij moeten in staat worden gesteld een nieuwe start te maken met een studie die wèl verenigbaar is met de ontstane handicap, zodat zij maatschappelijk kunnen blijven functioneren (Kamerstukken II, 26873, nr. 60).

Verder overweegt de Raad dat in het feit dat de situatie van studerenden die vallen onder het regime van de tempobeursregeling wat betreft het financiële risico dat zij lopen in het algemeen gunstiger is dan de situatie van studerenden die vallen onder het regime van de prestatiebeursregeling, evenmin een toereikende rechtvaardiging kan worden gevonden om bij het buiten toepassing laten van artikel 2.16 van de WSF 2000 ten principale onderscheid te maken tussen (ex) tempobeursstudenten en (ex) prestatiebeursstudenten. In het eerste tot en met het derde lid van artikel 5.16 van de WSF 2000 is gedaagde immers de verplichting opgelegd om in geval van bijzondere omstandigheden desge-vraagd de diplomatermijn te verlengen en een toegekende prestatiebeurs ondanks onvoldoende studieprestaties om te zetten in een gift, waardoor de situatie van een (ex) prestatiebeursstudent die door toegenomen structurele medische beperkingen genood-zaakt is om een reeds aangevangen studie in het hoger onderwijs te staken financieel gezien niet per definitie wezenlijk anders is dan die van een (ex) tempobeursstudent in gelijksoortige omstandigheden. Bovendien kan uit de geschiedenis van de totstand-koming van artikel 5.16, vierde lid, van de WSF 2000 worden afgeleid dat in de uitzonderlijke situatie dat een studerende zijn of haar studie in het hoger onderwijs definitief heeft moeten staken als direct gevolg van tijdens deze studie toegenomen medische beperkingen, de wetgever meer gewicht toekent aan het belang dat deze studerende heeft bij een kans om een opleiding te volgen die ondanks de toegenomen medische beperkingen voltooid kan worden, dan aan de specifieke financiële belangen van gedaagde en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Gelet op de beschikbare medische gegevens en gezien en gehoord appellante, is de Raad ervan overtuigd geraakt dat appellante genoodzaakt is geweest haar studie Bouwkunde definitief te beëindigen als direct gevolg van tijdens deze studie toegenomen structurele medische beperkingen.

In hetgeen hiervoor is overwogen ligt derhalve besloten dat de hoger beroepen van appellante doel treffen en dat de aangevallen uitspraken moeten worden vernietigd. Verder moeten de inleidende beroepen van appellante alsnog gegrond worden verklaard en dienen de bestreden besluiten te worden vernietigd, omdat gedaagde niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom geen toepassing is gegeven aan de hardheidsclausule. Gedaagde moet met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nadere beslissing nemen op het bezwaar van appellante.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten zijn begroot op € 322,- als kosten van verleende rechtsbijstand in beroep, op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 49,- voor in hoger beroep door appellante gemaakte reis- en verblijfkosten, in totaal derhalve € 1.015,-. Met betrekking tot de begroting van de kosten van verleende rechtsbijstand heeft de Raad onder meer in aanmerking genomen dat de gedingen moeten worden aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;

Verklaart de inleidende beroepen tegen de bestreden besluit gegrond en vernietigt die besluiten;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat de Informatie Beheer Groep aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 232,- vergoedt;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.015,-, te betalen door de Informatie Beheer Groep.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) A.C.W. van Huussen.

MH