Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS4904

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-02-2005
Datum publicatie
04-02-2005
Zaaknummer
03/4647 NABW + 03/4690 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen inkomsten uit arbeid. Terugvordering gemaakte kosten van bijstand. Geen bijzondere omstandigheden om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

03/4647 NABW

03/4690 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], appellant en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellanten heeft mr. E.Tj. van Dalen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 4 september 2003,

reg.nr. 02/668 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 21 december 2004, waar partijen, gedaagde met bericht, niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandig-heden.

Appellanten ontvingen vanaf 15 juni 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden.

Nadat uit gegevens van de belastingdienst was gebleken dat appellant in de periode van 1 april 1998 tot en met 30 juni 1998 werkzaamheden als timmerman had verricht voor [werkgever], zonder van die werkzaamheden en de inkomsten daaruit volledig mededeling te doen aan gedaagde, heeft gedaagde bij besluiten van 8 november 2001 en 9 november 2001 het recht op bijstand van appellanten over de periode van 1 april 1998 tot en met 30 juni 1998 herzien (lees: ingetrokken), en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van f 1.281,29 van hen teruggevorderd.

Bij besluit van 11 juni 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen de besluiten van

8 november 2001 en 9 november 2001 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 juni 2002, zich daarbij beperkend tot de vraag of gedaagde terecht geen dringende redenen heeft aangenomen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, en zich daarbij beperkt tot de vraag of gedaagde terecht geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw heeft aangenomen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Appellanten hebben aangevoerd dat er een achterstand is ontstaan in de betaling van rente en aflossing op een hypotheek op hun woonboot, en dat inmiddels een executoriale maatregel is genomen in de vorm van het betekenen van een deurwaardersexploot op 10 oktober 2003.

De Raad acht hetgeen door appellanten is aangevoerd geen dringende reden als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn geweest om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien. Het betreft hier in het bijzonder geen onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen die als dringende reden kunnen worden aangemerkt, reeds niet omdat niet gebleken is dat de door appellanten gestelde omstandigheid het gevolg is van het terugvorderingsbesluit. Daarnaast biedt de zogeheten beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als regel voldoende bescherming om in het levensonderhoud te kunnen blijven voorzien.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aange-vallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2005.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) P.C. de Wit.

GdJ

111