Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS4891

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2005
Datum publicatie
04-02-2005
Zaaknummer
03/3356 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vermindering aantal om te zetten maanden prestatiebeurs indien voorafgaande aan HBO een verwante opleiding is gevolgd in het MBO. Uitleg begrip ‘andere opleiding’ in de zin van de overgangsregeling bij art. 7.31a WHW.

Wetsverwijzingen
Wet op de studiefinanciering 17, geldigheid: 2005-01-21
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek 7.31a, geldigheid: 2005-01-21
Wet studiefinanciering 2000 5.8, geldigheid: 2005-01-21
Wet studiefinanciering 2000 7.1, geldigheid: 2005-01-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/3356 WSF

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante heeft mr. D. Schilstra, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, op bij aanvullend beroepschrift van 5 augustus 2003 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen gegeven uitspraak van de rechtbank Roermond van 27 mei 2003, nr. AWB 2002/1323 WSFBSF.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 december 2004. Aldaar is appellante verschenen bij mr. M.I. Bruggemans, kantoorgenoot van mr. Schilstra, voornoemd. Gedaagde heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. M. Wiersma, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep.

II. MOTIVERING

In aansluiting op een medio 1997 door haar voltooide opleiding aan een middelbare laboratoriumschool, heeft appellante zich voor het studiejaar 1997-1998 ingeschreven aan de Internationale agrarische hogeschool ‘Larenstein’ te Velp voor een opleiding land-bouwlaboratoriumtechniek. De prestatiebeurs die appellante in verband daarmee van gedaagde heeft ontvangen is bij besluit van 8 februari 1999 omgezet in een gift wegens het behalen van voldoende studiepunten.

Met ingang van het studiejaar 1998-1999 heeft appellante zich ingeschreven voor een opleiding biologie en medisch laboratoriumonderzoek aan de ‘Fontys’ Hogeschool voor Toegepaste Natuurwetenschappen te Venlo. Het afsluitend examen van deze opleiding heeft appellante medio 2001 met goed gevolg afgelegd.

Vervolgens heeft gedaagde bij besluit gedagtekend 5 februari 2001 (Bericht no.2 van 6 februari 2002) de prestatiebeurs die appellante over de studiejaren 1998-1999, 1999-2000 en 2000-2001 heeft ontvangen volledig omgezet in een gift.

Dat besluit is bij besluit van 14 oktober 2002 door gedaagde herzien, in die zin dat de omzetting van de prestatiebeurs in een gift wat betreft het studiejaar 2000-2001 ongedaan is gemaakt. In verband daarmee heeft gedaagde het saldo van appellantes schuld uit rentedragende lening verhoogd met € 2.454,12.

Het bezwaar dat appellante hiertegen heeft ingediend, is bij besluit van 7 november 2002 (hierna: het bestreden besluit) door gedaagde ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat ingevolge artikel 5.8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) het aantal om te zetten maanden prestatiebeurs met 12 is verminderd, aangezien door appellante het diploma is behaald van een opleiding ten aanzien waarvan artikel 7.31a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) is toegepast.

Bij uitspraak van 27 mei 2003 is het beroep van appellante tegen het bestreden besluit door de rechtbank Roermond ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich met dit oordeel van de rechtbank niet kunnen verenigen en heeft in hoger beroep in essentie haar reeds eerder naar voren gebrachte standpunt herhaald dat zij, voordat zij zich met ingang van het studiejaar 1998-1999 inschreef aan de ‘Fontys’ Hogeschool te Venlo, een diploma heeft behaald van een verwante opleiding in het middelbaar beroepsonderwijs, maar dat zij in verband daarmee in het hoger beroeps-onderwijs niet is vrijgesteld van het afleggen van tentamens, zodat het onredelijk is om in haar geval het aantal om te zetten maanden prestatiebeurs met 12 te verminderen. Verder is er door appellante op gewezen dat zij op grond van de in het studiejaar 1997-1998 door haar aan de hogeschool ‘Larenstein’ behaalde studiepunten in september 1998 is inge-stroomd in het tweede studiejaar van de opleiding biologie en medisch laboratorium-onderzoek aan de ‘Fontys’ Hogeschool te Venlo. Appellante heeft haar hoger beroep onderbouwd met een op 14 januari 2004 gedateerde verklaring van dr. M.A.M. Meester, directeur van de ‘Fontys’ Hogeschool.

De Raad overweegt als volgt.

Bij Wet van 28 maart 1996 (Stb. 1996, 227) is de prestatiebeursregeling ingevoerd. Uitgangspunt van deze regeling is dat aan studenten gedurende vier jaren studiefinan-ciering wordt toegekend in de vorm van een voorwaardelijke rentedragende lening die wordt omgezet in een gift indien het einddiploma binnen de diplomatermijn is behaald.

In artikel 5.8, tweede lid, aanhef en onder a, van de WSF 2000, zoals dat luidde ten tijde in dit geding van belang, is in afwijking van voormeld uitgangspunt bepaald dat, indien een student met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd van een opleiding ten aanzien waarvan artikel 7.31a van de WHW is toegepast, het aantal om te zetten maanden van zijn prestatiebeurs met 12 wordt verminderd.

In artikel 7.31a van de WHW is - voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven - bepaald dat is vrijgesteld van het afleggen van bepaalde tentamens degene die is inge-schreven voor een in de ‘Regeling aanwijzing opleidingen hoger beroepsonderwijs en opleidingen beroepsonderwijs i.v.m. onderlinge verwantschap’ van 18 april 1998 (hierna: de Regeling) aangewezen opleiding in het hoger beroepsonderwijs, terwijl diegene al in het bezit is van een diploma van een eveneens in de Regeling aangewezen verwante opleiding in het middelbaar beroepsonderwijs.

Appellante heeft zich in het studiejaar 1998-1999 ingeschreven voor een in de Regeling aangewezen opleiding in het hoger beroepsonderwijs, terwijl zij al in het bezit was van een diploma van een eveneens in de Regeling aangewezen verwante opleiding in het middelbaar beroepsonderwijs.

Ingevolge de overgangsregeling die is neergelegd in artikel V van de Wet van

2 april 1998 (Stb. 1998, 216) is artikel 7.31a van de WHW evenwel niet van toepassing op een student die - zoals appellante - voorafgaand aan het studiejaar 1998-1999 al was ingeschreven voor een opleiding aan een hogeschool, tenzij deze student in het studiejaar 1998-1999 of in een later studiejaar voor de eerste maal wordt ingeschreven voor een andere opleiding aan een hogeschool.

Aan het bestreden besluit ligt derhalve - zoals door de gemachtigde van gedaagde ter zitting is bevestigd - de premisse ten grondslag dat appellante in het studiejaar 1998-1999 is ingeschreven voor een andere opleiding in de zin van de overgangsregeling dan in het studiejaar 1997-1998. Naar het oordeel van de Raad is er onvoldoende steun voor deze premisse, zodat er geen grond is om het aantal om te zetten maanden prestatiebeurs op basis van artikel 5.8, tweede lid, aanhef en onder a, van de WSF 2000 met 12 te verminderen. De Raad overweegt in dit verband dat uit het verschil in benaming tussen de betrokken opleidingen en het feit dat appellante aanleiding heeft gevonden om zich met ingang van het studiejaar 1998-1999 in te schrijven aan een andere hogeschool dan in het studiejaar 1997-1998 op zichzelf niet kan worden afgeleid dat sprake is van oplei-dingen met wezenlijk verschillende leerdoelen, terwijl de vrijstellingen die door de ‘Fontys’ Hogeschool aan appellante zijn verleend in verband met de studieresultaten die zij heeft behaald aan de hogeschool ‘Larenstein’ er juist op duiden dat - in elk geval wat betreft de propaedeutische fase - sprake is van een vergaande gelijkenis tussen de betrokken opleidingen. Ten overvloede merkt de Raad voorts op dat het hiervoor vermelde besluit van 5 februari 2001, waarbij de prestatiebeurs die appellante heeft ontvangen volledig is omgezet in een gift, niet heeft geleid tot een resultaat dat gelet op artikel 5.8 van de WSF 2000 niet door de wetgever is beoogd, aangezien uit de door appellante overgelegde verklaring van dr. M.A.M. Meester van 14 januari 2004 is gebleken dat appellante door de ‘Fontys’ Hogeschool niet is vrijgesteld van het afleggen van tentamens op grond van het door haar behaalde diploma van een verwante opleiding in het middelbaar beroepsonderwijs.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorm van de aan appellante toegekende studiefinanciering wat betreft het studiejaar 2000-2001 bij het hiervoor vermelde besluit van 5 februari 2001 niet onjuist is vastgelegd, zodat gedaagde niet bevoegd was om dit besluit op de daartoe aangevoerde grond te herzien. Derhalve moet het inleidend beroep van appellante gegrond worden verklaard en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Gedaagde moet met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw beslissen op het bezwaarschrift van appellante.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 966,- voor in beroep en hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat de Informatie Beheer Groep aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 116,- vergoedt;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,-, te betalen door de Informatie Beheer Groep.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) A.C.W. van Huussen.

MH