Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS4890

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-02-2005
Datum publicatie
04-02-2005
Zaaknummer
03/2112 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Juistheid oordeel over de belastbaarheid en de daaraan gekoppelde voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

03/2112 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante heeft mr. M. Degelink, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 maart 2003, reg.nr. AWB 02/2253 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Voorts heeft de Raad een schrijven van gedaagde van 10 oktober 2003 ontvangen. Van de zijde van appellante is een brief van 10 december 2004 ontvangen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 december 2004, waar appellante -met kennisgeving- niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen W.H.M. Visser, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellante, laatstelijk werkzaam als beleidsmedewerkster voor 28 uur per week, is op 4 augustus 1999 uitgevallen als gevolg van duizeligheidsklachten, nek- en hoofdpijn en concentratiestoornissen. Sedert 2 augustus 2000 ontving zij een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van 80 tot 100%.

Bij besluit van 2 januari 2002 heeft gedaagde de WAO-uitkering van appellante met ingang van 28 februari 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Bij besluit van 15 mei 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar -op grond van een loonkundige herberekening- gegrond verklaard en de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van 28 februari 2002 vastgesteld op 65 tot 80%.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de in rubriek I vermelde uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij met betrekking tot het medische aspect van de beoordeling overwogen dat appellantes beperkingen met het door gedaagdes verzekeringsarts opgestelde, en door gedaagdes bezwaarverzekeringsarts, mede op basis van informatie uit de behandelend sector, akkoord bevonden, belastbaarheidspatroon niet zijn onderschat. De rechtbank heeft voorts uit de van de zijde van appellante in beroep overgelegde informatie van de behandelend neuroloog van 21 januari 2003 geen andere conclusie ten aanzien van de belastbaarheid van appellante afgeleid.

Ten aanzien van het arbeidskundig aspect heeft de rechtbank overwogen dat de omschrijvingen van de geduide functies passen binnen het opgestelde belastbaarheidspatroon en voorts dat de aanwezige relevante markeringen binnen de geduide functies voldoende zijn toegelicht door gedaagdes bezwaararbeidsdeskundige. Op grond van die toelichting kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van -ontoelaatbare- overschrijdingen of relativering van appellantes belastbaarheid bij het vervullen van de geduide functies.

Aan de orde is de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

De Raad overweegt als volgt.

Hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de namens appellante in hoger beroep overgelegde brief van 18 juni 2003 van polikliniek Van Gemert Therapie overweegt de Raad dat hierin, mede in aanmerking genomen de informatie van de behandelend neuroloog met onder andere de vermelding, dat bij aangevraagd vestibulair onderzoek geen duidelijke pathologie naar voren kwam, en het commentaar op evenbedoelde brief vanwege gedaagde, geen aanwijzingen zijn gelegen dat gedaagde onvoldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid op de in geding zijnde datum. De Raad ziet hierin evenmin aanleiding een nader medisch onderzoek in te stellen.

Uitgaande aldus van de juistheid van de door gedaagde aangenomen beperkingen bij appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad voorts niet gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan appellante voorgehouden functies niet zou kunnen vervullen. De Raad neemt daarbij in aanmerking met de rechtbank van oordeel te zijn dat de relevante markeringen in de geduide functies van de zijde van gedaagde voldoende en afdoende zijn toegelicht.

De Raad merkt nog op dat op grond van het arbeidsongeschiktheidscriterium van de WAO niet beslissend is de eigen opvatting van een verzekerde dat hij of zij niet meer (volledig) kan werken.

Op grond van vorengaande kan het bestreden besluit in rechte stand houden en komt de aangevallen uitspraak derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2005.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.H.A. Jenniskens.