Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS4888

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-02-2005
Datum publicatie
04-02-2005
Zaaknummer
02/51 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting; vastgestelde beperkingen; geduide functies; ingeschakelde deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

02/51 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 22 januari 2001 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 14 februari 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Gedaagde heeft het tegen dit besluit namens appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 28 mei 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank Middelburg heeft het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 28 mei 2001 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 15 november 2001, reg.nr. Awb 01/393, ongegrond verklaard.

Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden, met bijlagen, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij brieven van 5 maart 2002 en 23 november 2002 - de laatste met bijlagen - de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 30 december 2002, waar appellant in persoon is verschenen, en waar namens gedaagde - met kennisgeving - niemand is verschenen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Ter voortzetting van het onderzoek heeft de griffier appellant op 3 februari 2003 bericht van het voornemen van de Raad een orthopaedisch chirurg als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. Hierop heeft appellant bij brief van 5 februari 2003 gereageerd, waarna de fungerend president mr. K.J.S. Spaas bij brief van 4 maart 2003 aan appellant uitleg heeft gegeven. Vervolgens zond appellant zijn brief van 10 maart 2003 in, waarop de fungerend president, voornoemd, op 20 maart 2003 andermaal uitleg verschafte, waarna appellant nogmaals reageerde bij brief van 24 maart 2003.

De Raad heeft vervolgens bij brief van 27 mei 2003 de orthopaedisch chirurg C.W. Jolles benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Hierop heeft appellant gereageerd bij brief van 4 juni 2003. Vervolgens heeft de deskundige op

10 september 2003 verslag van zijn onderzoek uitgebracht. Appellant heeft bij brief van 24 oktober 2003 commentaar op dit verslag geleverd.

Bij brief van 11 december 2003 heeft mr. drs. J.G.C. van Schaik, juridisch adviseur en procesjurist te Velp, zich als gemachtigde van appellant gesteld en verzocht om een nadere termijn voor het insturen van een onafhankelijke expertise. Mr. drs. van Schaik heeft zich vervolgens bij op 19 februari 2004 ingekomen fax-bericht als gemachtigde teruggetrokken, hetgeen appellant bij brief van 17 februari 2004 heeft bevestigd. Bij brief van 25 juni 2004 heeft appellant bericht er niet in geslaagd te zijn een deskundige als door hem beoogd aan te stellen.

Bij brief van 1 december 2004 heeft appellant de gronden van zijn hoger beroep aangevuld.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 21 december 2004. Appellant is daar verschenen, terwijl gedaagde - met kennisgeving - niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Appellant, die voorheen werkzaam was als technisch tekenaar/werkvoorbereider, is op 16 februari 2000 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet uitgevallen wegens lage rugklachten met uitstraling. De verzekeringsarts J. Bouman heeft appellant op 4 januari 2000 (lees: 2001) onderzocht in het kader van de beoordeling door gedaagde van de aanspraak van appellant op een WAO-uitkering in aansluiting op het bereiken van de wettelijke wachttijd en droeg blijkens het rapport van dezelfde datum kennis van de uitslag van de via de huisarts gemaakte foto’s van de rug. Bij zijn lichamelijk onderzoek stelde Bouman een matige beweeglijkheid van de rug in alle richtingen vast zonder radiculaire prikkeling of neurologische uitvalsverschijnselen aan de benen. Voor het overige stelde Bouman geen afwijkingen vast. In verband met de rugafwijking van appellant stelde Bouman beperkingen ten aanzien van onder andere zitten, staan, lopen, gebogen werken en tillen en legde hij deze beperkingen vast in een bij zijn rapport gevoegd belastbaarheidsprofiel. Op basis hiervan en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 9 januari 2001 selecteerde de arbeidsdeskundige

R.A.M. Quataert blijkens het rapport van 12 januari 2001 een aantal functies en berekende hij, uitgaande van de middelste van de drie hoogst verlonende functies, het verlies aan verdienvermogen van appellant op 39,4%. Vervolgens nam gedaagde het primaire besluit van 22 januari 2001.

In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts S. van Dam-Horowitz blijkens haar rapport van 10 mei 2001 appellant aansluitend aan de hoorzitting op die dag onderzocht. Daarbij kwam naar voren dat appellant last van klachten in het linker been en in mindere mate in het rechterbeen had, dat hij niet de hele dag achtereen kan zitten en dat hij bij lang zitten kramp in de bovenbenen krijgt. Bij haar onderzoek nam Van Dam-Horowitz geen functionele stoornis in de beweging van de rug waar. Haar conclusie was dat er geen reden is het door Bouman opgestelde belastbaarheidspatroon te herzien.

Vervolgens handhaafde gedaagde bij het bestreden besluit het primaire besluit.

In de beroepsprocedure heeft appellant een rapport van de hem behandelend orthopaedisch chirurg J.M.H. Beckers van 9 augustus 2001 overgelegd. Beckers stelde mede op basis van laboratorium- en MRI-onderzoek vast dat sprake was van discusdegeneratie op de onderste 4 lumbale niveau’s, van een duidelijke hernia aan de linker zijde op het niveau L5-S1 en van wat bulging en een relatief nauw voorkomen van het beenderig spinaalkanaal op het niveau L4-5. Beckers gaf, gezien de duidelijke hernia, aan het eens met appellant te zijn dat langdurig zittend werk het meest slecht voor zijn rug is en dat zorg dient te worden gedragen voor frequente afwisseling tussen zittend, staand en lopend werk.

De rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van Bouman en Van Dam-Horowitz voldoende zorgvuldig geoordeeld. De rechtbank overwoog dat zij bij de vaststelling van de belastbaarheid de beschikbare gegevens van de behandelend sector hebben betrokken en dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de uitkomst van de medische beoordeling van Bouman en Van Dam-Horowitz voor onjuist moet worden gehouden. Volgens de rechtbank bieden de geduide functies voldoende afwisseling in het zitten, staan en lopen. Gelet op een en ander achtte de rechtbank het beroep ongegrond.

In hoger beroep heeft appellant in verschillende geschriften zeer uitgebreid zijn bezwaren tegen het door Bouman en Van Dam-Horowitz verrichte verzekeringsgeneeskundig onderzoek, het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak uiteengezet.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat appellant ter zitting van de Raad op

30 december 2002 onder andere naar voren heeft gebracht dat het gestelde in het proces-verbaal van de hoorzitting van 10 mei 2001 ten aanzien van het zitten, te weten dat 30 minuten zitten, afgewisseld met even staan en vervolgens weer 30 minuten zitten wel wil lukken, een onjuiste weergave is van hetgeen hij gezegd heeft. Voorts heeft hij ter zitting van 30 december 2002 gesteld aan een onderzoek te willen meewerken waarbij ook het rapport van Beckers wordt betrokken. De Raad heeft in het verhandelde tijdens deze zitting en in de gedingstukken, waaronder met name het rapport van Beckers, aanleiding gezien het onderzoek in dit geding te heropenen en een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. Naar aanleiding van de in rubriek I van deze uitspraak vermelde correspondentie, welke is gevolgd op het kenbaar maken aan appellant van het voornemen van de Raad op de benoeming van een deskundige voor het instellen van een onderzoek, merkt de Raad, in aansluiting op hetgeen de fungerend president in zijn brieven van 4 en 20 maart 2003 reeds aan appellant had medegedeeld omtrent de algemene opzet van het onderzoek van een door de Raad benoemde deskundige en het voorschrift van artikel 8:47, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op dat de deskundige Jolles in de aan hem voorgelegde vraagstelling onder B2 naast de rapporten van Bouman en Van Dam-Horowitz in het bijzonder is gewezen op het door appellant in eerste aanleg overgelegde rapport van Beckers.

De Raad overweegt voorts dat Jolles blijkens zijn in rubriek I van deze uitspraak vermeld rapport bij het lichamelijk onderzoek een iets verminderde functie van de lumbale wervelkolom en geen neurologische afwijkingen heeft vastgesteld. Op basis van het door hem verricht röntgenonderzoek alsmede van het door hem opgevraagde röntgenonderzoek stelde Jolles vast dat er sprake is van een degeneratieve laag lumbale links convexe scloliose L1-L5 met spondylofyten op alle niveau’s als teken van degeneratieve afwijkingen, met een kleine HNP L5-S1 links. Volgens Jolles waren er op basis van de hem verstrekte gegevens van de huisarts ten tijde van de datum in geding weinig klachten van rug en been. Jolles kon zich met uitzondering van de onderdelen tillen en dragen verenigen met het door Bouman opgestelde belastbaarheidspatroon. Volgens Jolles is het maximale til- en draaggewicht voor appellant 5 of incidenteel 10 kg. Ten slotte gaf Jolles aan dat in de geduide functies voldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellant.

De Raad heeft in de uitgebreide reacties van appellant op het rapport van Jolles geen aanleiding gezien dit rapport en de daarin verwoorde conclusies niet over te nemen. De Raad ziet daartoe in elk geval geen aanleiding in het door appellant als bijlage 2 bij zijn brief van 1 december 2004 overgelegde rapport van de de neuroloog J.C.M. van de Nes van 12 november 2003, die op basis van een MRI-onderzoek op 3 november 2003 naast de eerder door Beckers vastgestelde en door Jolles bevestigde discushernia links op het niveau L5-S1 een kleine paramediane tot laterale dicushernia rechts op het niveau L2-L3 vaststelde. Dit onderzoek zag immers niet op de datum in geding en vond bovendien, althans wat betreft het MRI-onderzoek, bijna 5 maanden na het onderzoek van Jolles plaats. Weliswaar is door de Raad aan Jolles voorts niet, zoals appellant voorstond, een specifieke vraag voorgelegd omtrent de zitbelasting van appellant, maar er kan niet aan worden voorbijgezien dat Jolles kennis heeft genomen van het belastbaarheidsprofiel, de verwoording functiebelasting van de geduide functies en het rapport van Beckers, derhalve ook van hetgeen Beckers heeft opgemerkt omtrent langdurig zitten en werken. De Raad tekent bij dit laatste overigens aan dat Beckers wat betreft het zitten alleen een in algemene bewoordingen gestelde aanwijzing - zonder een begrenzing in maat of getal - heeft gegeven omtrent de door hem wenselijk geachte belasting ten aanzien van het zitten en dat hij wat betreft het zitten niet afzonderlijk is ingegaan op het door Bouman vastgestelde belastbaarheidsprofiel en op de verwoording functiebelasting van de geduide functies. Door appellant zijn naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek van Jolles geen medische gegevens overgelegd, welke een nader licht doen schijnen op de belastbaarheid van appellant ten aanzien van het zitten ten tijde van de datum in geding.

De Raad heeft al met al in hetgeen appellant naar voren heeft gebracht en ook overigens geen aanleiding gezien om in dit geval niet het oordeel van de door hem ingeschakelde deskundige te volgen.

Uit het vorenstaande, mede bezien in het licht van artikel 8:69 van de Awb, volgt dat het bestreden besluit in rechte standhoudt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2005.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

MR