Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS4883

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2005
Datum publicatie
03-02-2005
Zaaknummer
02/84 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding termijn voor het indienen van bezwaar. De Raad is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs zou moeten worden geoordeeld dat betrokkene niet in verzuim is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

02/84 AOW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], Turkije, appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellant heeft op bij beroepschrift van 5 december 2001 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2001, nummer AWB 01/1418 AOW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 7 januari 2005, waar partijen - gedaagde met bericht van verhindering - niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Bij brief van 2 mei 1997 heeft appellant een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd in verband met door hem in de jaren 1965, 1966 en 1967 in Nederland verrichte arbeid.

Bij besluit van 29 november 1999 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat hij geen recht heeft op AOW-pensioen aangezien hij niet verzekerd is geweest. Dit besluit is eveneens verzonden naar de Turkse uitvoeringsorganisatie Bag-Kur.

Op 15 september 2000 heeft gedaagde via de Bag-Kur een kopie van een bezwaarschrift van appellant ontvangen gedateerd 6 maart 2000. In dit bezwaarschrift heeft appellant onder meer gesteld dat hij tegen het besluit van 29 november 1999 reeds op 5 december 1999 bezwaar heeft aangetekend en nog altijd geen antwoord heeft ontvangen. Voorts blijkt uit die brief dat appellant op zijn bezwaarschrift van 6 maart 2000 ook geen antwoord van de Sociale verzekeringsbank heeft ontvangen en daarom een kopie van dit bezwaarschrift ter kennisname aan de Bag-Kur heeft gezonden. De Bag-Kur heeft deze kopie op 12 juli 2000 van appellant ontvangen en doorgezonden aan de Sociale verzekeringsbank op 6 september 2000 alwaar het op 15 september 2000 is ontvangen.

Bij brief van 13 november 2000 heeft gedaagde aan appellant de ontvangst op 15 september 2000 van het bezwaarschrift gedateerd 6 maart 2000 bevestigd. Daarbij heeft gedaagde aangegeven dat zij geen bezwaarschrift of schrijven gedateerd

5 december 1999 van appellant heeft ontvangen en dat derhalve de brief van 6 maart 2000 als eerste brief van een eventuele bezwaarprocedure wordt gezien. Vervolgens heeft gedaagde aan appellant verzocht aan te geven waarom hij niet binnen de bezwaartermijn van zes weken na 29 november 1999 bezwaar heeft aangetekend.

In reactie hierop heeft appellant bij schrijven van 21 november 2000 medegedeeld dat hij nu voor de derde keer bezwaar aantekent.

Bij besluit van 23 januari 2001 heeft gedaagde het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, nu het bezwaarschrift te laat was ingediend en niet was gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar zou zijn.

De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde onderschreven.

In hoger beroep heeft appellant nog aangevoerd dat het postverkeer in Turkije niet zo goed ontwikkeld is en dat de brief verkeerd was afgeleverd.

De Raad overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat het besluit van 29 november 1999 in overeenstemming met artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bekendgemaakt en ook (tijdig) door appellant is ontvangen gezien zijn reactie in de brief van 6 maart 2000 dat hij reeds op 5 december 1999 een bezwaarschrift tegen het besluit van 29 november 1999 heeft ingediend. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Deze termijn vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Gedaagde heeft op 15 september 2000 een op 6 maart 2000 gedateerd bezwaarschrift van appellant ontvangen, welk bezwaarschrift derhalve te laat is ingediend. Nu het beweerdelijk door appellant verzonden bezwaarschrift van 5 december 1999 niet door gedaagde is ontvangen en appellant niet heeft aangetoond dat hij dit bezwaarschrift daadwerkelijk heeft verzonden komt het risico van deze handelwijze voor rekening van appellant.

Ten aanzien van een na afloop van de gestelde termijn ingediend bezwaarschrift blijft ingevolge artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De Raad is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.J. Simon, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2005.

(get.) H.J. Simon.

(get.) M.F. van Moorst.

RG