Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS4882

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2005
Datum publicatie
04-02-2005
Zaaknummer
03/2363 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld omdat betrokkene niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Verzoek om terug te komen van eerder besluit. Geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/2363 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid.

Namens appellant heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, werkzaam bij Hout- en Bouwbond CNV te Drachten, op bij beroepschrift aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Leeuwarden op 31 maart 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr.: 02/1181 ZW), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 december 2004, waar partijen - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Appellant is op 3 februari 1993 uitgevallen als gevolg van een bedrijfsongeval, waarna hoofd- en nekklachten zijn ontstaan. Wegens deze klachten is hij ongeschikt geworden tot het verrichten van zijn arbeid als timmerman. Ter zake van dit ziektegeval is aan appellant ziekengeld toegekend. Bij besluit van 19 augustus 1993 heeft gedaagde appellant ervan in kennis gesteld dat hem met ingang van 25 juni 1993 geen ziekengeld wordt toegekend, omdat hij op en na deze datum niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank Leeuwarden bij uitspraak van 30 september 1994 (reg.nr.: 93/828 ZW) ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de Raad bij uitspraak van 13 maart 1996 (reg.nr.: 94/1666 ZW) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Bij brief van 31 juli 2001 is namens appellant verzocht om de eerdere beslissing te herzien en het recht op uitkering in het kader van de Ziektewet opnieuw vast te stellen. Bij besluit van 11 februari 2002 heeft gedaagde geweigerd om terug te komen van zijn eerder genomen beslissing van 5 juli 1993, omdat het namens appellant ingebrachte medisch rapport geen nieuwe feiten en/of omstandigheden vermeldt. Bij brief van 25 maart 2002 is namens appellant bezwaar aangetekend. Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde de zaak opnieuw beoordeeld. Bij besluit van 19 september 2002 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 februari 2002 ongegrond verklaard.

De Raad overweegt als volgt.

Allereerst merkt de Raad op dat destijds geprocedeerd is over een beslissing van 19 augustus 1993. De brief van 5 juli 1993 is slechts een vooraankondiging.

De Raad gaat ervan uit dat kennelijk wordt bedoeld om niet terug te komen van de op rechtsgevolg gerichtte voor beroep vatbare beslissing van 19 augustus 1993.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijk besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Ter ondersteuning van zijn verzoek om terug te komen van eerder vermeld besluit heeft appellant een beroep gedaan op de bevindingen van het Psychologisch Adviesbureau Lancée d.d. 22 maart 1996. De Raad is van oordeel dat een medisch rapport als zodanig geen nieuw feit is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, maar dat uit een rapport de aanwezigheid van een nieuw feit of van nieuwe feiten kan blijken. Tegen de achtergrond van de eerdere overgelegde/beschikbare medische rapportages ziet de Raad in het rapport van neuropsycholoog G. Kraaijenbrink een andere zienswijze over de arbeidsongeschiktheid van appellant, maar niet de ingevolge artikel 4:6 van de Awb vereiste nieuwe feiten of omstandigheden naar voren komen.

Daarvan uitgaande kan, gelet op hetgeen van de zijde van betrokkene is aangevoerd, naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregels of met een algemeen rechtsbeginsel.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde Kalter en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips