Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS4804

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2005
Datum publicatie
04-02-2005
Zaaknummer
03/2198 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling en overplaatsing medewerker politie.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 64, geldigheid: 2005-01-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2005/168

Uitspraak

03/2198 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Brabant Zuid-Oost, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 27 maart 2003, nr. AWB 02/1532, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Beide partijen hebben een nadere reactie ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 december 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. van Alst, advocaat te Someren. Namens gedaagde is ter zitting verschenen mr. W.H. Janssen, werkzaam bij de politieregio.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, voorheen werkzaam als milieucoördinator bij de rijkspolitie, is per 1 april 1994 van rechtswege in dienst getreden bij gedaagdes politieregio en overeenkomstig zijn eerste optie benoemd in de functie van medewerker lokale politienetwerken B (LPN B), een functie die na functiewaardering in schaal 11 werd ingedeeld. Omdat het functioneren van appellant niet aan de verwachtingen voldeed is hij in 1996 met behoud van rang en salaris geplaatst in de functie medewerker lokale politienetwerken A (LPN A), aan welke functie schaal 9 is verbonden. Appellant heeft tegen dat besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. In januari 1998 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden, waarbij het functioneren van appellant als ‘naar behoren’ is gekwalificeerd. In april 1999 en april 2000 is appellant beoordeeld. Het eindoordeel is bij beide beoordelingen vastgesteld op ‘onvoldoende’. Appellant heeft tegen die beoordelingen geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3. Op 11 januari 2001 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden waarbij het eindoordeel opnieuw is vastgesteld op ‘onvoldoende’. Aan appellant is aangezegd dat hij in juni/juli van dat jaar beoordeeld zal worden. Appellant heeft zich begin juni 2001 ziek gemeld.

1.4. Omdat gedaagde uit telefonische contacten met appellants echtgenote had begrepen dat appellant geen contact wilde, heeft de plaatsvervangend afdelingschef - aan welke functionaris de bevoegdheid tot vaststellen van een beoordeling is gemandateerd - op 6 juni 2001 een beoordeling opgemaakt. Het eindoordeel luidde opnieuw ‘onvoldoende’. Bedoelde chef heeft het formulier diezelfde dag nog aan appellants huisadres afgegeven, met verzoek aan appellant het verslag voor gezien te ondertekenen en het samen met eventuele opmerkingen binnen 2 weken te retourneren.

1.5. Bij brief van 17 juni 2001 heeft de gemachtigde van appellant, onder vermelding dat appellant had verzocht voor hem op te treden en zijn belangen te behartigen, op dit verzoek gereageerd. Hij heeft er op gewezen dat bij de redactie van het beoordelings-verslag te weinig rekening is gehouden met de ziekte van appellant en met het feit dat appellant bij zijn werkzaamheden feitelijk geen ondersteuning heeft gehad. Tot slot heeft de gemachtigde vermeld dat appellant wegens ziekte niet in staat kan worden geacht om te reageren op de beoordeling en in een begeleidende brief verzocht verdere correspondentie aan zijn adres te richten.

1.6. Bij brief van 3 juli 2001 aan de gemachtigde van appellant heeft de afdelingschef meegedeeld dat de brief van 17 juni 2001 is aangemerkt als een inhoudelijke reactie op de beoordeling als bedoeld in het Reglement beoordelings- en functioneringsgesprekken (RBF), dat hij de beoordeling heeft vastgesteld en dat deze wordt doorgezonden naar de korpsleiding met een advies omtrent de te nemen beheersbeslissing.

1.7. Bij brief van 29 oktober 2001 heeft gedaagde, met verwijzing naar de hiervoor genoemde beoordelingen en functioneringsgesprekken en onder vermelding dat daartegen geen bezwaren zijn geuit als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aan appellant meegedeeld dat hij voornemens is appellant met ingang van 1 december 2001 met toepassing van artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) te ontheffen uit zijn functie LPN A en met behoud van bezoldiging volgens schaal 11, te plaatsen in de functie politieambtenaar B.

1.8. Na kennisneming van de namens appellant ingediende bedenkingen heeft gedaagde bij besluit van 30 november 2001 besloten overeenkomstig zijn voornemen, met dien verstande dat de ingangsdatum is gesteld op 10 december 2001.

Bij het bestreden besluit van 13 mei 2002 heeft gedaagde de bezwaren van appellant, voorzover deze zich richten tegen de beoordeling niet ontvankelijk verklaard en voorzover deze zich richten tegen het besluit van 30 november 2001, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar tegen de op 6 juni 2001 opgemaakte beoordeling niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

3. Namens appellant zijn in hoger beroep geen grieven aangevoerd met betrekking tot de door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring. Appellant heeft aangevoerd dat de beslissing om hem te verplaatsen voortbouwt op de beoordeling van 6 juni 2001 waarvan gedaagde ten onrechte aanneemt dat die rechtens onaantastbaar is, omdat daartegen geen bezwaarschrift is ingediend. Volgens appellant zijn bij die beoordeling dwingende voorschriften niet in acht genomen en was het appellant daarom niet duidelijk dat hij daartegen bezwaar had moeten maken. Dat is hem pas na het verstrijken van de bezwaartermijn duidelijk geworden. Appellant meent voorts dat de bezwaartermijn niet is ingegaan omdat appellant de beoordeling niet voor ontvangst heeft getekend.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

De (betekenis van de) beoordeling van 6 juni 2001.

4.1. In de onder 1.6. genoemde brief van 3 juli 2001 heeft gedaagde aan de gemachtigde van appellant bericht dat diens brief van 17 juni 2001 is aangemerkt als een inhoudelijke reactie op de beoordeling van 6 juni 2001 als bedoeld in artikel 9 van het RBF en dat die reactie hem geen aanleiding geeft de beoordeling aan te passen. Meegedeeld is dat de beoordeling is vastgesteld en wordt doorgezonden naar de korpsleiding met een advies omtrent de te nemen beheersbeslissing.

4.2. Naar het oordeel van de Raad bevat de brief van 3 juli 2001 onmiskenbaar de kennisgeving van het besluit dat de op 6 juni 2001 opgemaakte beoordeling ongewijzigd is vastgesteld. Nu appellant voor de behartiging van zijn belangen overeenkomstig artikel 2:1, eerste lid, van de Awb, uitdrukkelijk een gemachtigde had aangewezen is dit besluit door toezending daarvan aan de gemachtigde tevens op de juiste wijze bekend gemaakt, zodat de bezwaartermijn op 4 juli 2001 is aangevangen. Weliswaar vermeldt het besluit niet dat daartegen bezwaar kan worden gemaakt, maar naar vaste jurisprudentie doet het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing niet af aan het besluitkarakter. Evenmin doet daaraan af dat bij de brief geen ondertekend exemplaar van de vastgestelde beoordeling was gevoegd.

4.2.1. Uit de gedingstukken blijkt overigens dat het besluitkarakter van de brief door appellant en zijn gemachtigde ook wel is onderkend, maar dat appellant van het indienen van een bezwaarschrift heeft afgezien omdat de beoordeling naar zijn mening niet volgens de voorschriften van het RFB was totstandgekomen. Dienaangaande merkt de Raad evenwel op dat appellant de aan het besluit klevende tekortkomingen in bezwaar aan de orde had moeten stellen. Of de voorschriften van het RFB zijn nageleefd of niet heeft op zichzelf geen betekenis voor de rechtskracht van het besluit. Nu tegen de op 3 juli 2001 vastgestelde beoordeling geen bezwaar is gemaakt, is de Raad met gedaagde van oordeel dat die beoordeling als rechtens vaststaand heeft te gelden.

De overplaatsing

4.3. Volgens artikel 64 van het Barp kan een ambtenaar als het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert worden verplicht een andere functie uit te oefenen dan die waarin hij is aangesteld, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten.

4.4. Nu appellant het oordeel van de rechtbank dat sprake was van zodanig dienstbelang en dat gedaagde in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit om appellant met ingang van 10 december 2001 te ontheffen uit zijn functie van LPN A en kon plaatsen in de functie van politieambtenaar B, slechts heeft bestreden met de grief dat dit besluit niet kan berusten op de op 3 juli 2001 vastgestelde beoordeling, welke grief naar uit het vorenstaande blijkt, geen doel treft, verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het bestreden besluit.

5. Het vorenstaande leidt er toe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voorzover in geding dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2005.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.