Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS4788

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2005
Datum publicatie
03-02-2005
Zaaknummer
03/3680 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongeschiktheidsontslag: ook indien alle beschikbare feiten in onderling verband worden bezien, blijkt daaruit niet dat appellant ongeschikt is voor zijn functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/3680 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Justitie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 juli 2003, nr. AWB 02/3861 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 december 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. R.H.A. Wessel, advocaat te ’s-Gravenhage.

Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Zwennis, werkzaam bij Vijverberg Juristen, en door mr. R.G.J. Gales, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds 1978 in dienst van het Ministerie van Justitie en sedert 1993 werkzaam bij [de die[dienst]]. In maart 1995 heeft een beoordeling plaatsgevonden over de periode mei 1993 tot maart 1995 met als eindresultaat score B, onvoldoende. Een volgende beoordeling in oktober 1995 had als eindresultaat, score C, voldoende, met de kanttekening dat appellant de stijgende lijn goed moet vasthouden om te kunnen groeien in de nieuwe functie van medewerker personeel nieuwe stijl. Naar aanleiding van de eerste beoordeling is ter verbetering een individueel coachingstraject gestart. Dit traject is voortgezet tot juni 1997.

Tussen 1995 en 2000 zijn door de opeenvolgende leidinggevenden functioneringsgesprekken met appellant gevoerd, waarvan verslagen zijn gemaakt.

1.2. In 1996 en 1999 heeft appellant gratificaties ontvangen in het kader van bewust belonen en in juli 1999 is hij per 1 december 1998 bevorderd naar schaal 10.

1.3. Medio 2000 is appellant aangesproken op het feit dat hij nevenwerkzaamheden verrichtte die hij niet had gemeld en waarvoor hij reclame maakte door middel van de screensaver op zijn computer. Bij brief van 25 september 2000 is appellant gesommeerd zijn nevenactiviteiten te staken. Ook is appellant aangesproken op het feit dat hij zijn computer gebruikte voor persoonlijke doeleinden buiten de werksfeer.

Vanaf september 2000 heeft appellant in het bijzonder projectmatige werkzaamheden verricht.

1.4. In een functioneringsgesprek op 30 november 2000 heeft de leidinggevende van appellant, aldus diens verslag, aangegeven dat appellant de facto de functie van medewerker personeelszaken al geruime tijd niet meer uitoefent en dat het gezien de functie-eisen, met name op het gebied van adviesvaardigheden, afgezet tegen de capaciteiten van appellant, niet in de lijn der verwachting ligt dat appellant deze functie naar behoren kan gaan uitoefenen. Volgens de leidinggevende is afgesproken dat appellant specifieke opdrachten krijgt en dat een traject ingegaan wordt dat ertoe moet leiden binnen of buiten het Ministerie van Justitie een functie voor appellant te vinden die beter aansluit op zijn competenties, kennis, ervaring en interesses. Appellant heeft aangegeven dat hij het niet eens is met voormelde weergave van de inhoud van het functioneringsgesprek.

1.5. In januari 2001 is appellant, in verband met zijn problemen met het rookgedrag van zijn collega’s en omdat op zijn eigen afdeling geen rookvrije ruimte te creëren was, verplaatst naar een rookvrije kamer elders in het gebouw. Mede omdat hij daardoor fysiek op afstand van zijn collega’s kwam, heeft appellant zich tegen deze verplaatsing verzet.

Op 23 januari 2001 heeft een werkoverleg plaatsgehad, waarin appellant onvoorzien geconfronteerd is met kritiek van zijn collega’s en waarna hij zich ziek heeft gemeld. Per 2 april 2001 is appellant hersteld verklaard, waarna hij is vrijgesteld van zijn verplichting tot het verrichten van werk.

1.6. Vervolgens hebben onderhandelingen plaatsgevonden over een exit-traject, welke niet tot overeenstemming hebben geleid. Hierna is appellant bij brief van 15 oktober 2001 van het voornemen op de hoogte gesteld hem eervol ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid voor de functie medewerker personeelszaken, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Na kennisneming van de zienswijze van appellant, heeft gedaagde bij besluit van 27 november 2001 aan appellant op voormelde grond ontslag verleend per 1 december 2001, met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Dit besluit is na bezwaar, in afwijking van het advies van de Adviescommissie ingevolge de Algemene wet bestuursrecht, bij het thans in geding zijnde besluit van 5 september 2002 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat niet is gebleken dat hij ongeschikt is voor zijn functie. De door gedaagde overgelegde stukken bieden zijns inziens voor dat oordeel onvoldoende grondslag.

3.2. Gedaagde daarentegen is van mening dat appellants ongeschiktheid voor zijn functie wel genoegzaam blijkt uit het overgelegde dossier. Het jarenlange onvoldoende functioneren blijkt zijns inziens uit de verslagen van de vanaf 1995 gevoerde beoordelings- en functioneringsgesprekken. Ter zitting heeft gedaagde benadrukt dat met name de incidenten die zich in 2000 rond appellant hebben voorgedaan tot het oordeel hebben geleid dat hij ongeschikt is voor zijn functie. Daarbij heeft gedaagde gewezen op de door appellant verrichte nevenactiviteiten, het gebruik van de [dienst] computer voor persoonlijke projecten, het onhebbelijke en ongezeglijke gedrag van appellant naar zijn (nieuwe) collega’s, het hardnekkig aandacht blijven vragen voor het rookgedrag van collega’s, zijn verzet tegen de interne verhuizing en de uiteindelijke escalatie tijdens het werkoverleg van 23 januari 2001, waarbij collega’s en leidinggevende het vertrouwen in hem opzegden.

4.. De Raad overweegt het volgende.

4.1. In artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR is bepaald dat de ambtenaar kan worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad moet de ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

Gelet op de stellingen van partijen spitst het geding zich toe op de vraag of de door gedaagde overgelegde stukken kunnen worden aangemerkt als genoegzaam bewijs van een zodanige mate van disfunctioneren van appellant dat de kwalificatie ongeschiktheid als bedoeld in artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR gerechtvaardigd is.

4.2. Uit de verslagen van de beoordelings- en functioneringsgesprekken over de periode van 1995 tot en met april 2000 blijkt dat er, na een onvoldoende beoordeling in maart 1995 en na het volgen van cursussen en het coachingstraject, verbetering in appellants functioneren is opgetreden. Weliswaar komt uit de verslagen van de in juni 1998 en april 2000 gehouden functioneringsgesprekken naar voren dat er punten van kritiek zijn gebleven, onder meer verband houdende met een verschuiving van de inhoud van de functie in de richting van managementadvisering, maar over het geheel genomen blijkt daaruit niet van een negatieve beoordeling van appellants functioneren.

Op basis van voormelde verslagen acht de Raad de ongeschiktheid van appellant voor zijn functie dan ook onvoldoende onderbouwd.

In dit verband kan er ook niet aan worden voorbijgezien dat appellant in 1996 en 1999 gratificaties heeft ontvangen en in 1999 is bevorderd naar een hogere schaal. Gedaagde heeft in dit verband opgemerkt dat de gratificaties slechts groepsbeloningen betroffen en de bevordering uit coulanceoverweging had plaatsgevonden. Wat er verder van deze opmerkingen ook zij, zij ondersteunen het oordeel dat appellant onvoldoende functioneerde in elk geval niet.

4.3. De Raad volgt gedaagde evenmin in diens stelling dat in 2000 een reeks van incidenten is opgetreden waaruit de ongeschiktheid blijkt. Dat appellant niet genegen zou zijn nieuwe collega’s in te werken, dan wel dit niet op de juiste wijze zou doen, komt onvoldoende uit de stukken naar voren. De reclame die appellant maakte voor zijn nevenactiviteiten beperkte zich tot een korte tekst op de screensaver van zijn computer en hij is daarmee gestopt na officieel te zijn gewaarschuwd. Het verwijt dat door het gebruik van de [dienst]-computer voor persoonlijke doeleinden de veiligheid van het computer-systeem in gevaar is gebracht, berust niet op enig onderzoek of op andere gegevens van feitelijke aard. De aan appellant vanaf september 2000 opgedragen projectmatige werkzaamheden zijn, blijkens de aantekeningen van de leidinggevende voor het functioneringsgesprek van 30 november 2000, over het algemeen redelijk uitgevoerd. Verdere gegevens omtrent de resultaten van deze werkzaamheden ontbreken. De wijze van optreden van appellant ten aanzien van het roken op de werkplek door zijn collega’s en ten aanzien van zijn interne verhuizing kan niet altijd even coöperatief worden genoemd, maar evenmin waren zijn bezwaren daartegen geheel uit de lucht gegrepen. De reactie van appellant op het werkoverleg van 23 januari 2001 moet, ten slotte, worden bezien in het licht van het feit dat hij daar onverhoeds en op instigatie van de leidinggevende door zijn collega’s in het nauw is gedreven.

4.4. Gedaagde heeft nog aangegeven dat de gepresenteerde feiten niet afzonderlijk van elkaar moeten worden bekeken, maar dat de incidenten moeten worden beschouwd in samenhang met de jarenlange onvrede met het functioneren van appellant en dat sprake is van vele druppels die uiteindelijk de emmer hebben doen overlopen. De Raad is evenwel, mede gelet op hetgeen hij onder 4.2. en 4.3. heeft overwogen, van oordeel dat ook indien alle beschikbare feiten in onderling verband worden bezien, daaruit niet genoegzaam blijkt van ongeschiktheid in de zin van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR.

4.5. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het bestreden besluit, waarbij het ongeschiktheidsontslag is gehandhaafd niet op een deugdelijke motivering berust en wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. Dit betekent dat ook de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit is gehandhaafd, dient te worden vernietigd. Gedaagde zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, derhalve in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 5 september 2002;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.288,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 284,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) A. de Gooijer.