Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS4600

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
02-02-2005
Zaaknummer
03/573 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslagname na negatieve beoordeling. Blijvend gehele weigering WW-uitkering. Geen sprake een reëel bezwaar tegen de voortzetting van de dienstbetrekking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/573 WW (rectificatie)

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellant is in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Leeuwarden op 30 januari 2003, met reg.nr. 02/449 WW, tussen partijen gegeven uitspraak (de aangevallen uitspraak).

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft de gronden van zijn hoger beroep nader aangevuld bij brieven van 23 maart 2003 en 16 juni 2003.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 december 2004, waar appellant niet is verschenen en waarbij gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door

J.T. Wielinga, medewerker bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellant, geboren in 1946, is op 25 september 2000 in dienst getreden van de [werkgever] (hierna: de werkgever) voor 23 uur per week in de functie van pedagogisch medewerker 2. Het betrof een arbeidsovereenkomst van tijdelijke aard in verband met ziekte van een medewerker. De arbeidsovereenkomst zou van rechtswege uiterlijk op 25 maart 2003 eindigen.

Op 7 augustus 2001 heeft appellant de arbeidsovereenkomst schriftelijk opgezegd. Als reden voor de opzegging van het dienstverband heeft appellant aangegeven dat het over hem opgestelde beoordelingsrapport dusdanig negatief is dat hij op grond daarvan niet zonder meer in aanmerking kan komen voor een andere functie bij zijn werkgever. Uit dat rapport heeft appellant verder afgeleid dat hij naar het oordeel van zijn werkgever niet deugt voor het werk dat hij doet. Bij schrijven van 22 augustus 2001 heeft de werkgever ingestemd met het ontslag en, uitgaande van de voor appellant geldende opzegtermijn, de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2001 beëindigd.

Op 2 oktober 2001 heeft appellant een WW-uitkering aangevraagd. Deze uitkering is hem bij besluit van 20 december 2001 blijvend geheel geweigerd. Bij besluit van 5 april 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde dat besluit gehandhaafd en de daartegen gerichte bezwaren ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daartoe overwogen dat geen sprake was van een reëel bezwaar tegen de voortzetting van de dienstbetrekking omdat niet was gebleken dat appellant diens werkzaamheden niet meer had kunnen uitvoeren.

De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep een uitgebreide beschrijving gegeven van de inhoud van zijn werkzaamheden en het tussen hem en zijn werkgever gerezen verschil van inzicht.

De Raad overweegt als volgt.

Allereerst stelt de Raad vast dat de in de uitspraak vermelde naam van de eisende partij een kennelijke verschrijving is en dat er geen twijfel over kan bestaan dat die uitspraak betrekking heeft op het beroep van appellant tegen het bestreden besluit. De Raad ziet in die kennelijke verschrijving dan ook geen aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen.

Het is de Raad niet gebleken dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet langer van appellant kon worden gevergd. Weliswaar was er een verschil van inzicht tussen appellant en diens werkgever over onder meer de inhoud van de werkzaamheden en was een beoordelingsrapport opgemaakt dat niet onverdeeld gunstig was voor appellant, maar op geen enkele wijze komt uit de stukken naar voren dat appellant zijn werkzaamheden niet langer kon of mocht verrichten of dat er een acute noodzaak bestond om de dienstbetrekking te beëindigen. Dat appellant de noodzakelijke zorg voor de aan hem toevertrouwde minderjarigen niet langer op verantwoorde wijze kon verlenen is de Raad evenmin gebleken. Het feit dat appellant voorafgaand aan het ontslag nog een klacht had ingediend over een door hem doorlopen sollicitatieprocedure bij zijn werkgever, welke klacht nog niet was afgehandeld, alsmede het gegeven dat appellant diverse acties had ondernomen om de band met de werkgever te herstellen dan wel te verbeteren -wat daar verder ook van zij- doen daaraan niet af.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de proceskosten.

Beslist dient derhalve te worden als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) A. de Gooijer.