Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS4570

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2005
Datum publicatie
02-02-2005
Zaaknummer
02/6040 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan betrokkene wordt alsnog WW-uitkering toegekend. Inwilligen van het verzoek tot vergoeding van de wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/6040 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. INLEIDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 23 oktober 2001 is aan appellant met ingang van 1 augustus 2001 uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontzegd.

Bij besluit van 11 april 2002, hierna het bestreden besluit, heeft gedaagde het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Leeuwarden heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. A.A. Slager, werkzaam bij het SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Bij schrijven van 31 augustus 2004 heeft de Raad aan gedaagde nadere vragen gesteld.

Bij brief van 12 oktober 2004 heeft gedaagde de Raad meegedeeld het besluit van 11 april 2002 niet langer te handhaven. Gedaagde heeft op 26 oktober 2004 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waarbij het bezwaar alsnog gegrond is verklaard en aan appellant met ingang van 1 januari 2002 een WW-uitkering toegekend.

Bij schrijven van 2 november 2004 heeft mr. Slager de Raad meegedeeld dat met de nieuwe beslissing op bezwaar aan de wensen van appellant is voldaan in verband waarmee hij heeft verzocht gedaagde in de proceskosten te veroordelen en om restitutie van het griffierecht alsmede betaling van de wettelijke rente.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven de behandeling van het geding ter zitting van de Raad achterwege te laten.

II. MOTIVERING

Bij voormeld schrijven van 12 oktober 2004 heeft gedaagde te kennen gegeven zijn oorspronkelijke besluit niet langer te handhaven. De Raad zal derhalve dit besluit vernietigen evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten.

Appellants verzoek om vergoeding van de wettelijke rente kan worden ingewilligd, in dier voege dat het Uwv de wettelijke rente dient te vergoeden over de nabetaling van de uitkering en dat de ingangsdatum van de rente wordt gesteld op

1 december 2001. Voor de verdere berekening wordt verwezen naar ’s Raads uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB 1495, RSV 1996/182 en JB 95/314¹.

De Raad ziet aanleiding gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg tot een bedrag van € 322,00 en voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep van € 322,00, totaal derhalve € 644,00.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de wettelijke rente als hiervoor is aangegeven;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 644,00, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 109,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.