Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS4152

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
31-01-2005
Zaaknummer
03/4698 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werkzaam bij 2 werkgevers. Wat moet als "zijn arbeid" worden aangemerkt. Onvoldoende medische verklaring voor schouderklachten. Geen arbeidsongeschiktheid voor "zijn arbeid".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/4698 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 2 januari 2002 heeft gedaagde bepaald dat appellant met ingang van 10 januari 2002 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat hij niet meer wegens ziekte beperkingen ondervindt en dus in dezelfde mate als voorheen geschikt is om gangbare arbeid te verrichten.

Bij besluit van 23 juli 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 2 januari 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 20 augustus 2003, reg.nr. 02/3952 ZW, het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard.

Namens appellant heeft mr. P.A.M. Staal, advocaat te Woerden, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Gedaagde heeft vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 december 2004, waar voor appellant is verschenen mr. Staal, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. B.M. Kleijs, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant was werkzaam als schoonmaker van kantoren bij [werkgeefster 1] ([werkgeefster 1]) gedurende 12,5 uur per week, voor welk werk hij zich op 29 mei 2001 ziek meldde met (rechter)schouderklachten. Op 1 augustus 2001 is deze dienstbetrekking door de werkgever beëindigd. Bij besluit van 26 oktober 2001 heeft gedaagde aan appellant wegens het plegen van een benadelingshandeling in de zin van de ZW, bestaande uit het instemmen met of berusten in deze beëindiging, een maatregel opgelegd in de vorm van een volledige weigering van het ziekengeld over de periode van 1 augustus 2001 tot 28 mei 2002.

Daarnaast was appellant bij werkgever [werkgeefster 2] ([werkgeefster 2]) werkzaam als schoonmaker in een ziekenhuis gedurende 40 uur per week, voor welk werk hij zich op 1 juni 2001 ziek meldde. Deze ziekmelding is door de bedrijfsarts van Commit Arbo geaccepteerd.

Ter zake van de eerste ziekmelding is appellant op 19 december 2001 door verzekeringsarts B. Evenhuis op het spreekuur gezien. Deze verzekeringsarts stelt in haar rapport van 19 december 2001 vast dat appellant pijn heeft aan zijn rechterschouder maar dat deze klachten bij lichamelijk onderzoek niet zijn te objectiveren. Vervolgens verklaart zij appellant hersteld voor zijn werk met ingang van 10 januari 2002.

In het kader van de beoordeling in bezwaar is de bezwaarverzekeringsarts T.E. Greven mede aan de hand van de beschikbare medisch-specialistische gegevens in zijn rapport van 23 juli 2002 tot de conclusie gekomen, dat de (subjectieve) schouderklachten bij gebreke van een objectief medisch substraat niet in de weg staan aan de geschiktheid van appellant voor het werk als schoonmaker.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat, nu appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen evenvermeld besluit van 26 oktober 2001, appellant geen belang heeft bij een gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit van 23 juli 2002 en in zijn beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Namens appellant is daartegen in hoger beroep aangevoerd dat wel degelijk bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 26 oktober 2001, dat dit bezwaar bij besluit (op bezwaar) van 7 januari 2002 door gedaagde gegrond is verklaard, zodat appellant ten onrechte in zijn beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk is verklaard. Gedaagde heeft zulks in het verweerschrift in hoger beroep bevestigd.

Gelet hierop kan de Raad niet anders dan vaststellen dat appellant in zijn beroep tegen het bestreden besluit ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, reden waarom de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad heeft zich vervolgens beraden op de vraag of na vernietiging van de aangevallen uitspraak de zaak naar de rechtbank moet worden teruggewezen.

In aanmerking nemend dat de zaak naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft en partijen ter zitting van de Raad desgevraagd hebben aangegeven prijs te stellen op een inhoudelijke afdoening van de zaak, beantwoordt de Raad die vraag ontkennend.

De Raad ziet zich derhalve gesteld voor de beantwoording van de vraag of aan appellant terecht met ingang van 10 januari 2002 geen ziekengeld meer is toegekend.

De Raad is, met verwijzing naar zijn uitspraak van 22 februari 1995, gepubliceerd in RSV 1995/179, van oordeel dat het schoonmaakwerk bij [werkgeefster 1] is aan te merken als ‘zijn arbeid’ waarnaar de arbeidsongeschiktheid tot werken dient te worden beoordeeld. Daarbij behoefde met de belasting van de schoonmaakwerkzaamheden bij [werkgeefster 2] geen rekening te worden gehouden, nu appellant die werkzaamheden ten tijde van de hersteldverklaring niet verrichtte en met redelijke mate van zekerheid vaststond dat hij die niet op korte termijn diende te hervatten.

Daarmee komt de Raad toe aan de beantwoording van de vraag of appellant op de in geding zijnde datum 10 januari 2002 geschikt was te achten voor zijn arbeid als schoonmaker bij [werkgeefster 1].

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe dat de beschikbare gegevens geen aanleiding geven tot twijfel aan het oordeel van gedaagde dat appellant naar objectieve medische maatstaven gemeten niet ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid als schoonmaker bij [werkgeefster 1]. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat niet alleen de bovenvermelde verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts maar ook de behandelend orthopedisch chirurg, neuroloog en radioloog op hun vakgebied geen verklaring konden geven voor de schouderklachten van appellant.

Uit de in hoger beroep nader ingekomen stukken komt onder andere naar voren dat appellant -na de acceptatie van zijn tweede ziekmelding door de bedrijfsarts van Commit Arbo- in verband met de beoordeling van zijn aanspraken op uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO) door de verzekeringsarts M. Verdenius op 30 juli 2002 is gezien en dat deze arts ten aanzien van appellant wel beperkingen aannam met betrekking tot het gebruik van de rechterschouder. Namens appellant is daarop ook een beroep gedaan. De Raad constateert echter dat deze verzekeringsarts weliswaar deze beperkingen aannam maar evenals de andere verzekeringsartsen die appellant hebben onderzocht, van oordeel was dat er geen (objectieve) oorzaak voor deze klachten was gevonden.

Overigens heeft de Raad geconstateerd dat de arbeidsdeskundige J.J. Kuijpers in het kader van voormelde WAO-beoordeling op basis van de door de verzekeringsarts Verdenius vastgestelde beperkingen appellant ongeschikt achtte voor zijn maatgevende arbeid van schoonmaker bij zijn twee voormelde werkgevers, maar appellant niettemin geschikt achtte voor gangbare arbeid als interieurverzorger en medewerker huishoudelijke dienst. In zijn rapport van 9 maart 2004 heeft deze arbeidsdeskundige voorts aangegeven dat het schoonmaken van kantoren als licht schoonmaakwerk is te kwalificeren.

De Raad acht dit niet in tegenspraak met de in geding zijnde hersteldverklaring voor de ZW.

Al het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het inleidend beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht in hoger beroep van € 87,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde Kalter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.P. Grauss.