Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2005:AS4149

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2005
Datum publicatie
03-02-2005
Zaaknummer
04/787 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hernieuwd verzoek erkenning als burgerslachtoffer. Onzorgvuldig voorbereid. Alsnog medisch onderzoek verrichten. Gezondheidsklachten als gevolg van verkrachting door Japans militair in garnizoensplaats. Misbruik niet ondenkbeeldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/787 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 23 december 2003, kenmerk JZ/060/2003, heeft verweerster ten aanzien van eiseres uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Namens eiseres is tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is aangegeven waarom eiseres zich niet met het besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de Raad op 9 december 2004. Voor eiseres is daar verschenen haar gemachtigde mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

1. Eiseres, geboren in 1928 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in december 2000 een aanvraag ingediend in het kader van de Wet. Daarbij heeft eiseres aangegeven dat haar gezondheidsklachten een gevolg zouden zijn van het tijdens de Japanse bezetting krijgen van klappen van een Japanse wacht en van het meemaken van bombardementen op Makassar. Deze aanvraag van eiseres is door verweerster afgewezen bij besluit van 27 april 2001 op de grond dat de eerst genoemde gebeurtenis niet onder de werking van artikel 2, eerste lid, van de Wet valt en dat ten aanzien van de als tweede genoemde gebeurtenis niet is komen vast te staan dat eiseres daar direct bij betrokken was. Tegen dit besluit heeft eiseres geen bezwaar gemaakt.

2. Op 1 augustus 2002 heeft eiseres een hernieuwde aanvraag ingediend. Hierbij heeft zij aangegeven dat zij bij de eerste aanvraag niet alles heeft verteld uit schaamte over het gebeurde. Eiseres heeft vervolgens verklaard dat zij tijdens de Japanse bezetting is aangerand door een Japanner. Bij besluit van 4 juli 2003 heeft verweerster die aanvraag afgewezen, omdat geen sprake was van een handeling of maatregel door of namens de vijandelijke macht. In bezwaar heeft eiseres verklaard dat zij niet aangerand, maar verkracht is door een Japanse militair. Bij het nu bestreden besluit van 23 december 2003 heeft verweerster het bezwaar ongegrond verklaard.

3. In beroep is, voorzover hier van belang, naar voren gebracht dat verweerster ten onrechte geen opdracht heeft gegeven tot het instellen van een geneeskundig onderzoek waarbij de bevinding daarvan gebruikt had kunnen worden voor de vaststelling van de bij het hernieuwd verzoek naar voren gebrachte calamiteit.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In een geval van mogelijk onder de Wet vallend seksueel misbruik pleegt verweerster nadere verificatie te verkrijgen door middel van medisch onderzoek. Het enkel vermelden van het gebeurde acht verweerster evenwel onvoldoende, betrokkene dient ook informatie te verschaffen omtrent de omstandigheden van het gebeurde. De Raad kan verweerster in deze benadering volgen.

4.2. In dit geval heeft eiseres niet alleen aangegeven dat het aan het hernieuwde verzoek ten grondslag gelegde seksueel misbruik heeft plaatsgevonden tijdens de Japanse bezetting, maar heeft zij nadien ook verklaard over de omstandigheden waaronder dit gebeurde, met name dat de betrokken Japanner in uniform was en dat zij bij thuiskomst aan haar moeder en aan haar broer heeft verteld te zijn lastiggevallen. Voorts kan worden vastgesteld dat Menado een garnizoensplaats was, waardoor intensieve militaire activiteit op straat objectief gezien aannemelijk is. Dat het gestelde misbruik plaats heeft gevonden in het kader van door de bezettende macht uitgeoefende taken acht de Raad in dat licht niet ondenkbeeldig. Gelet hierop had verweerster er naar het oordeel van de Raad in dit geval niet van mogen afzien om ter verificatie nader medisch onderzoek te laten verrichten. Nu verweerster dit heeft nagelaten is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en genomen. Het besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding verweerster op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van eiseres in beroep ten bedrage van € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiseres, groot € 644,- , te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan de griffier van de Raad;

Gelast de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiseres het griffierecht van € 27,- te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2005.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) A.D. van Dissel-Singhal.